IJzeren brug over kloof M/V

Opinie-artikel in het Reformatorisch Dagblad, 2 december 2023

Het klassieke kostwinnerspatroon is debet aan het gat tussen de harde werkelijkheid en het ideaal van het traditionele gezin. Man en vrouw hebben elkaar juist nodig in gezin, werk en samenleven.

Op de studiedag van het Dutch Biblebelt Network sprak prof. dr. Miranda Klaver over „een kloof tussen de maatschappelijke veranderingen op het grondvlak binnen de reformatorische gezindte en de door de leidslieden gevoerde strijd voor het behoud van het traditionele gezin”.

Zij noemde die een achterhoedegevecht. Een zevental predikanten reageerde hierop met een artikel waarin zij bepleiten dat de doordenking van de m/v-verhouding weer prioriteit krijgt. Wanneer het hierbij blijft, vrees ik dat precies gebeurt wat prof. Klaver voorspelt: de kloof zal alleen maar groter worden.

Mijns inziens komt dit vooral doordat er te weinig echt contact tussen de leidslieden en het grondvlak is. Neem bijvoorbeeld singles in de gereformeerde gezindte. Zijn zij in beeld als nagedacht wordt over man/vrouw-verhoudingen? Waar passen zij in het plaatje? Niet alle vrouwen trouwen of worden moeder. Wat doet het met hen als steeds benadrukt wordt dat de vrouw er is om haar man te helpen floreren of dat het moederschap de hoogste roeping voor vrouwen is? Huwelijk en gezin verdienen de hoogste waardering, maar vanuit het Nieuwe Testament zijn ook andere accenten te leggen.

Vrouwenbenen

En kijk eens goed naar (jonge) gezinnen. Zelf vond ik het belangrijk om thuis te zijn, zeker zolang de kinderen klein waren. Toen de jongste van de vier een baby was, woonden we tweehoog. Wanneer ik de oudsten naar school bracht, sjouwde ik eerst een Maxi-Cosi twee steile trappen af, waarna ik per bakfiets (zonder ondersteuning) vier kinderen vervoerde. Daarna boodschappen doen, terugfietsen, Maxi-Cosi de trap weer op. En dan rechtsomkeert om twee volle boodschappentassen op te halen. Gelukkig kreeg ik vaak hulp van mijn man of mijn schoonvader. „Het lichaam van de man is meer toegerust op werk en inspanning, het lichaam van de vrouw is uitgerust om leven voort te brengen, te voeden en te verzorgen”, schrijven de predikanten. Ik denk dat mijn moederbaan destijds fysiek zwaarder was dan menige mannelijke kantoorbaan.

Een gezin grootbrengen vraagt meer dan leven voortbrengen, voeden en verzorgen. Het is ook een hoop gesjouw van hot naar her, van zwemles naar muziekles, van fysiotherapie naar tandarts, van school naar winkel naar bibliotheek. Het is management op hoog niveau. Je moet veel lijntjes bij elkaar houden, knopen doorhakken, taken verdelen, conflicten bijleggen. De geloofsopvoeding moet vorm krijgen. Het zijn sterke vrouwenbenen, fysiek en mentaal, die dit alleen kunnen dragen.

Mijn schoonmoeder had geen baan buitenshuis; ze heeft zes kinderen grootgebracht. Als mijn schoonvader ’s middags thuiskwam, kookte hij vaak het eten, terwijl zij naar boven vertrok. Ze had een groot talent; ze was kalligrafe op hoog niveau. Doordat hij kookte kon zij zich daaraan wijden. Op zijn beurt kon hij even afstand nemen van zijn werk. De rollen wisselden.

Gewetensruimte

En zo zal het in veel gezinnen gaan: je bekijkt met elkaar wat werkt en het beste is voor het gezin. Dat ligt persoonlijk en vraagt maatwerk. Zeker als er kinderen zijn die veel (medische) zorg vragen of als een psychische problematiek of chronische ziekte bij een van de ouders speelt. De motieven om wel of niet buitenshuis te werken kunnen we niet voor elkaar beoordelen. Alleen God kent de situatie en weegt de harten. Ontneem gezinnen die gewetensruimte niet door de rolverdeling heel precies vast te leggen met een beroep op de Bijbel.

Het lijkt me geen verkeerde ontwikkeling dat veel mannen een paar dagen in het gezin zijn terwijl hun vrouw elders werkt. Even andere lucht, even kletsen met collega’s – het kan precies zijn wat zij nodig heeft om het als moeder vol te houden. Andersom kan niet elke man vijf volle werkdagen aan. En de kinderen ontvangen moederlijke én vaderlijke zorg, wat me gezond en Bijbels lijkt.

Twee tafels

De kloof die ik in de gereformeerde gezindte dan ook het meest betreur (en die wellicht samenhangt met de kloof die Klaver beschrijft) is die tussen mannen en vrouwen. Het klassieke kostwinnerspatroon waarbij vader vijf dagen werkt en vaak ook nog ’s avonds voor de kerkenraad of de SGP op pad is, werkt gescheiden levenssferen in de hand. Je ziet het terug op verjaardagen en bijeenkomsten: er vormt zich vanzelf een vrouwen- en een mannentafel.

Ook in de kerk zijn het veelal gescheiden werelden. Mannen stemmen, nemen de beslissingen, doen pastorale bezoeken, zonder enige invloed van vrouwen. Je hoeft niet meteen de ambten open te stellen voor vrouwen om te erkennen dat hun helper-zijn verder mag reiken dan het koken van pannen soep. Mannen en vrouwen hebben elkaar keihard nodig. In het gezin en op elk levensterrein daarbuiten. Ze moeten elkaar aanvullen en opscherpen. „IJzer scherpt men met ijzer” (Spreuken 27:17). Die Bijbeltekst heb ik in m/v-verband nog niet horen noemen, maar die zou weleens de brug over de kloof kunnen zijn.

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Pleisters op vele wonden

column in het Reformatorisch Dagblad, 11 november 2023

Wie is mijn naaste? Er zijn er zó veel. Ze liggen niet meer alleen voor je op de weg, in je eigen omgeving. Ook digitaal kruisen allerlei mensen je pad. Je ontvangt hartverscheurende mails.Je wordt gevraagd mee te bidden voor mensen die je nooit hebt ontmoet. Je krijgt uitnodigingen voor gebedsappgroepen met wildvreemden.

Over heel de wereld wordt geleden en gehuild, en je weet het mee. Je kunt het niet meer niet weten. Je zou er iets mee moeten en willen, maar in plaats daarvan sluit je de luiken. Een mens is een eindig wezen, is in huize Stam een gevleugeld woord. Maar vreten doet het wel.

„Men zou een pleister op vele wonden willen zijn.” Op zoek naar dit citaat van Etty Hillesum raak ik opnieuw verzeild in ”Het verstoorde leven”. Etty, een jonge Joodse vrouw uit Amsterdam, hield van 1941-1943 bij wijze van therapie een dagboek bij. Schrijven zal haar overvolle gemoed ontstoppen.

Etty beschrijft hoe het leven al killer en kaler wordt voor de Joodse gemeenschap. Hoe ze haar voeten stukloopt omdat Joden de tram niet meer in mogen. Maar ze zoekt ook voortdurend woorden voor haar innerlijke reactie op dit alles. Hoe moet ze zich verhouden tegenover het lijden dat haar omgeeft, en dat dreigt? Ze leest: Dostojevski, Rilke. En de Bijbel.

Gaandeweg nemen denken en schrijven bij Etty de vorm aan van een onafgebroken gebed. Iets wonderlijks voltrekt zich. Om haar heen nemen de duisternis en de beklemming toe. Mensen worden angstig en op zichzelf gericht. Maar in Etty wordt het licht en ruim en dankbaar. Ze kán in niemands klauwen zijn, schrijft ze, omdat ze in Gods armen is. Ze wil aanvaarden wat het leven meebrengt… en ze wil uitdelen van de overvloed aan liefde die in haar is. Dat doet ze ook, in Westerbork en tot op het laatst in Auschwitz, waar ze in november 1943 sterft, 29 jaar oud.

Zeker, bij Etty kun je kritische vragen stellen. Maar liever deel ik twee belangrijke lessen over naastenliefde van haar. Naastenliefde die je zelf moet opbrengen heeft geen lange adem. Zeker als het moeilijk wordt, als je weinig terugkrijgt. Je raakt geïrriteerd, verbitterd en ten slotte maak je rechtsomkeert.

Om de ander werkelijk lief te hebben moet ten eerste je eigen ziel ontstopt blijven. Alles wat ik ben en denk en doe, dagelijks blootgelegd tot op God. Ten tweede moet de bodem onder je leven een grote, allesoverstijgende liefde zijn. Omdat Iemand jou vond op de weg, Iemand Zich over jou heen boog, je opraapte in je hopeloze toestand en zei: Ik maak je voor eeuwig de Mijne. Dat is de enige manier waarop wij pleisters kunnen zijn. En blijven.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Kennelijk

Barbies heb ik altijd links laten liggen. Ik bouwde liever hutten. Maar nu is ”Barbie” ineens een razendpopulaire film. Barbie lokt (refo)jongeren massaal naar de bioscoop, laat volwassen mensen in roze outfits poseren, zorgt voor een piek aan echtscheidingen. Ik heb me toch maar eens in haar verdiept

In conservatieve kring wordt verontrust geroepen dat de film antiman en antimoederschap is. Barbies zijn machtige carrièrevrouwen, en Kens (de mannelijke barbiepoppen) zijn maar sneue aanhangsels. Nadat Ken het patriarchaat ontdekt in de echte wereld weet hij ook in Barbieland het Kendom te vestigen. Barbies zijn ineens alleen nog maar goed om met dienbladen rond te lopen. Dát laten ze niet op zich zitten.

Ds. M. Klaassen schreef (RD 31-08) dat Barbie „een zeer doordachte film met een even doordachte boodschap is: mannen zijn een gevaar voor vrouwen, daarom moeten vrouwen terugslaan”. Ik vond dat eerlijk gezegd helemaal niet de boodschap. Of hoogstens de helft van het verhaal. De Kennelijke helft.

Laat me mogen benadrukken dat ik niet team Barbie ben. Ik vind haar gelikte wereld nog steeds helemaal niets. Geef mij maar imperfecte mensen, met cellulitis, scheve tanden en platvoeten. En alsjeblieft géén roze. De Barbies winnen inderdaad de macht terug. Maar… is het verhaal daarmee klaar? Is ze dan gelukkig? Nee! Zoals Ken het niet volhoudt om altijd stoer te zijn, is Barbie moe van haar perfecte leventje dat altijd leuk moet zijn. Het begint er al mee dat Barbie gedachten over de dood krijgt. En het eindigt ermee dat Barbie haar hoge hakken verwisselt voor platte Birckenstocks om naar… de gynaecoloog te gaan. Ze wil gewoon moeder worden.

Ken en Barbie spelen beiden te nadrukkelijke rollen, die hun opbreken en uit elkaar drijven. Zou dit ook niet gelden voor een al te traditionele christelijke m/v-rolverdeling? Dát er verschillende rollen zijn, beaam ik. Maar als je die te dwingend neerzet kun je zomaar tirannieke mannen en afhankelijke vrouwen krijgen. Of grote heibel in een huwelijk.

Ik ken heel wat vrouwen die de kar van hun gezin trekken. Niet omdat ze graag macht willen, maar voor ieders welzijn. En er zijn mannen met vier papadagen per week. Niet omdat het sneue mannen zijn, maar omdat ze daarmee het meest dienstbaar zijn aan hun persoonlijke situatie. Vrouwelijkheid of mannelijkheid zit niet altijd in wat je doet, maar in het hoe en waarom van wat je doet.

Zo kan dit lijken op terugslaan. Maar ik zou alleen even een vrouwelijk rukje aan de conservatieve arm willen geven. Toe, open dat vizier. Barbie vraagt zeker om een kritische blik. De wacht houden is goed. Is mannelijk. Maar onzorgvuldig oordelen is dat niet. Dat ken echt niet.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Reis door de nacht

Bij nacht heb ik Lisieux gezien. De jongens zaten in een haperende trein, net voorbij Parijs. Het was al 23.00 uur. Ze wisten niet hoe ver ze zouden komen. We reden hen tegemoet over verlaten Normandische wegen. In Lisieux wachtten we, omstreeks 0.30 uur. De trein zou pas uren later aankomen op een stationnetje verderop, en het zou al licht worden als we het pad naar ons vakantiehuis zouden inslaan, maar dat wisten we toen allemaal nog niet. Om wakker te blijven reden we een rondje door Lisieux.

„Lisieux zou zeker niets bijzonders geweest zijn zonder Thérèse, een vergeten provinciestadje. Nu is het elke dag vol pelgrims naar haar grafstee, en ik was een van de velen”, schreef ds J.T. Doornenbal ooit in de Veluwse kerkbode. Bij het lezen van ”Mijn roeping is de liefde” –de autobiografie van Thérèse van Lisieux– had hij moeite zijn tranen terug te dringen. Intussen meen ik dat te begrijpen.

Als Thérèse, jongste dochter van Louis en Zélie Martin, nog maar 15 jaar is treedt ze in bij de Karmelzusters in Lisieux. IJverig oefent ze zich in zelfverloochening en naastenliefde. Ze wil Jezus uitzinnig liefhebben, en zo veel mogelijk goed doen aan de kerk. Op Goede Vrijdag 3 april 1896 blijkt ze ziek te zijn, tuberculose. Dat maakt haar alleen maar gelukkig, want ze verlangt naar de vereniging met haar Bruidegom. Maar twee dagen later, met Pasen, komt de echte beproeving. De inktzwarte nacht van haar geloof breekt aan, die zal duren tot haar sterfdag achttien maanden later.

Het lieflijke eerste deel van Thérèse’s levensreis maakt indruk. Maar vele, vele malen indrukwekkender is die laatste geloofsreis door de nacht, waarin ze „onbegrepen en miskend, het martelaarschap ondergaan heeft van geestelijke eenzaamheid en innerlijk dorheid, een duisternis (…) waarin alles tevergeefs leek wat zij geloofd en gehoopt had, maar waarin toch de liefde alles overwinnend gebleven is en haar in haar sterfuur deed uitroepen: Ik heb Hem lief, mijn God, ik heb U lief.” (JTD)

Toen ze geen hand voor ogen meer zag, toen ze God niets anders meer aan te bieden had dan haar eigen leegte, lijden en duisternis, vond Thérèse de liefde die ze zocht. „Om U lief te hebben zoals U mij liefheeft, moet ik Uw eigen liefde lenen”, schreef ze. „Ik weet niet of deze pelgrimage van blijvende betekenis voor mij zal zijn”, schreef ds. Doornenbal. Ik weet zelfs niet of ik haar grafstee nog bezoeken wil, al ben ik in de buurt. Waar je verwacht te vinden, vind je zo vaak niets. Het lijkt me passender de herinnering aan Lisieux bij nacht te bewaren. En zuster Theresia een bescheiden gedenkteken te geven in een reformatorische krant.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Veertig vierkante meter

Deze krant wordt zeer nauwkeurig gelezen. Ik kan dat bewijzen.

In een artikel over de verhuizing van de Theologische Universiteit Kampen (08-06-2023) stonden ook een paar zinnetjes over de buren, ene schrijfster Stam-van Gent en haar man, die een stukje grond van de TUK hebben gekocht waardoor ze nu officieel een tuin bezitten. Terloops werd vermeld dat het om 40 vierkante meter ging.

Het is dat detail waar mensen me nu tot in de supermarkt op aanspreken. „Veertig vierkante meter hè?” Intussen weet ik dat dit zinnetje minstens tien verschillende ladingen kan hebben. Ik ben een lijstje begonnen.

  1. Veertig vierkante meter?? Weet je wel hoeveel onkruid daar kan groeien?
  2. Veertig vierkante meter? Verstandig, dat kun je nog net zelf bijhouden.
  3. Veertig vierkante meter? En daar ben je blij mee? Mijn interesse begint pas bij 400 vierkante meter.

Nu had ik graag 800 vierkante meter gehad. Maar ook een postzegel tuin voldoet, omdat het geheim van mijn geluk in de schuifpui zit. De jaren dat ik met een vol dienblad via een schuif­raam en een wiebelend krukje de tuin van een ander in wankelde, zijn voorbij.

Al toen de achtergevel nog een gapend gat was stond ik erbij te jubelen. We kregen niet alleen een tuin, maar ook een deur om rechtop naar buiten te stappen. Die eerste dag liep ik van pure vreugde honderd keer in en uit.

Aan de andere kant maakte het me ook wat schrikkerig – die wereld van offertes, aannemers en Belangrijke Keuzes als „met welke kleur strip moet de plissé-hor op de drempel bevestigd worden?” Allerlei aardse vragen en zorgen gaan plots je hoofd bevolken, terwijl ik graag wil vasthouden aan de gedachte dat we maar pelgrims zijn. We zijn onderweg, het hoeft allemaal niet zo nieuw en duur en groots, voor je het weet moet je je tent hier weer opbreken. Maar nu hebben we er ineens een paar forse tentpinnen bij. Kan dat wel de bedoeling zijn?

Daar valt natuurlijk heel veel over te zeggen, meer dan in deze postzegel krant past.

Maar scharnierpunt blijft toch het moment waarop we door die deur stappen. Of we dan nog steeds –hetzij ons 4, hetzij ons 40, hetzij ons 400 vierkante meter werd toegemeten– de tuin van een Ander instappen. Ooit verscheen Christus aan een vrouw als de tuinman. Rembrandt schilderde Hem in het ochtendlicht, met een schop en een hoed. Ida Gerhardt maakte er een gedicht bij, dat ik dan misschien maar op de drempel ga schrijven.

De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.
Hij is de Hovenier.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Gods smokkelaars

Met rode oren en een brandend hart las ik ‘Gods smokkelaar’ van Anne van der Bijl. Ik denk dat ik niet de enige ben. Dozen vol Bijbels heeft Anne naar communistisch Oost-Europa gebracht. Eerst kon dat openlijk, later werd het een illegale praktijk die hij zelf omschreef als een combinatie van argeloos en arglistig zijn. Anne kwam er altijd mee weg.

Het grappige is dat hij zo ook weer bij ons, reformatorische gelovigen, binnenkomt. We worden zo omvergeblazen door zijn levensverhaal dat we helemaal vergeten hem te toetsen op theologische zuiverheid. God houdt van u, zoals Anne de mensen voorhield, zal niet elke reformatorische dominee hem nazeggen.

Maar is het niet heerlijk om ‘ontwrichtende’ boeken te lezen, waarin niet de theologie de doorslag geeft maar de radicale manier waarop iemand met God leeft?

Intussen heb ik een laadje vol ontwrichtende verhalen, om het maar even zo te noemen. Bekeringsverhalen die voor ons bevreemdende elementen bevatten zoals een visioen, een stem in de nacht. Een homoseksuele jongen die de kerk verliet, de wereld inging en daar een vriend kreeg die weer de Bijbel met hem las en hem meenam naar de kerk. Een meisje voor wie het fel bestreden boek van een theoloog die de geestelijke leidsmannen van het meisje het liefst zouden opsluiten, het middel was om tot de zekerheid van het geloof te komen.

Natuurlijk mag je dan kritische vragen stellen. Zolang ‘in liefde waarschuwen’ in werkelijkheid maar niet ‘een kopje kleiner maken’ wordt. De ene mens is de andere soms een wolf. We kunnen vergrimmen bij ontwrichtende verhalen. Dan laten we iemand niet wegkomen met een verhaal dat ons verdacht in de oren klinkt; we barricaderen radicaal de grens van het Koninkrijk voor hem of haar. Als ik zoiets hoor, wil ik meteen het zwaard grijpen voor een heilige tegenoorlog. Maar ook dat is de koninklijke weg niet. Heiligheid is stil worden, je gezicht voortdurend opheffen naar de ten hemel gevaren Koning. Radicaliteit is alles overboord gooien om blindelings Hem te volgen die ons regeren wil door Zijn Heilige Geest.

Zo kan het gebeuren dat iemand de koffer van zijn leven voor je opent, en dat je op het eerste gezicht iets vertrouwds mist, of iets verdachts ziet, maar je hoort ook een geluid en je weet niet van waar het komt en waar het heen gaat, je weet alleen dat je niets moet zeggen, dat je de majesteit ervan moet eerbiedigen.

“Laat God begaan, al is Hij het gesteente in de akker waarin gij zaait,” dichtte iemand.

Laat God begaan, al brengt Hij mensen Zijn koninkrijk binnen op een manier die tegen al ónze wetten ingaat.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Stille zaterdagpreek

column in het Reformatorisch Dagblad van zaterdag 8 april

Stille Zaterdag kan een ietwat treurige dag zijn. Omdat het allesbehalve stil is, de wereld gewoon doorraast, en je eigen leven ook. De veertig dagen zijn omgevlogen en je hebt slechts halfslachtig gevast, en nog minder gemediteerd. Het boek dat je met het oog op deze periode kocht, ligt ongelezen op de stapel.

„Ik ben ’t, o Heer, ik ben ’t die U dit heb gedaan, ik ben den zwaren boom die U had overlaên…” (Revius) – die lage noten halen we niet. Goede Vrijdag ligt te diep. Ons schuldbesef is halfslachtig. Het bestaat vooral uit schaamte dat we de grootheid van ons kwaad niet eens gevoelen. Misschien zelfs gemengd met stille wrok dat God het ons maar niet geeft, dat gevoelige zondaarsbesef.

Maar wat als bewezen zou worden dat je werkelijk een zondaar bent die de dood verdient? Sören Qvist, dorpspredikant in het gehucht Jutland (uit de roman ”Het proces van Sören Qvist”), wordt beschuldigd van de moord op zijn knecht Niels Bruus. Niemand gelooft dat deze geliefde predikant tot zoiets in staat is. Sören zelf weet dat het verlangen om iemand te doden in hem kan zijn. Hij heeft gevochten tegen zijn agressie jegens Niels, en die strijd verloren toen hij hem uiteindelijk een klap verkocht. Maar een moord heeft hij zeker niet gepleegd. Hij vertrouwt op Gods hulp, zijn onschuld zal blijken. Maar de bewijzen stapelen zich op. Sören weet het niet meer. „Ik heb mijn hele leven aan Hem gewijd. Waarom heeft hij me verlaten?”

Uiteindelijk schiet de geplaagde Sören één mogelijke verklaring te binnen: hij slaapwandelt een heel enkele keer. Op een morgen vond hij op zijn bureau een schitterende begrafenispreek, van zijn eigen hand. Zonder dat hij zich iets kon herinneren. Dit keer zal hij in zijn slaap een mens gedood hebben. Ja, hij houdt het voor mogelijk en bekent.

Als zijn ontroostbare dochter haar oude vader opzoekt tussen de koude en klamme muren van het gevang, vlak voor zijn onthoofding, is hij een en al vrede. Anna begrijpt het niet, het duivelse onrecht vliegt haar aan. Maar haar vader zegt dat het niet meer uitmaakt of hij nu schuldig of onschuldig is aan de dood van Niels. Omdat hij nu ziet wat zijn allergrootste zonde was: dat hij Gods goedheid betwijfelde in wat hij niet begreep. „Of ik nu vergeven ben of niet, ik voel dat de Heer me nu zo nabij staat dat ik daar geheel en al vrede mee heb gesloten. Het is als een zacht avondlicht dat strijkt over een jong graanveld.”

Dank voor deze Stille Zaterdagpreek, Sören Qvist. Onze grootste zonde is het in twijfel trekken van Gods onbegrijpelijke goedheid. Deze goedheid – dat alles, álles is voldaan. Hij droeg onze halfslachtigheid.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Ga ons niet voorbij

„Kerstnacht – het woord is als een lafenis”, dichtte Ida Gerhardt. Kerst is inmiddels voorbij. Maar dat woorden net als bekers koud water lafenis kunnen bieden is ook eind februari een mooie gedachte. Iemand vertelde me dat haar hart altijd gaat trillen bij het woord ”opwekking”. Voor alle duidelijkheid – ze had het niet over een zangbundel, maar over een krachtig werk van de Heilige Geest.

Misschien zijn deze mensen er meer, dus wilde ik er nog eens over schrijven. Ik had beelden klaarstaan van de Asbury College Revival 1970, getuigenissen van studenten van toen. Oude mensen intussen, die hun tranen nog steeds niet kunnen bedwingen als ze proberen te vertellen wat er destijds gebeurde.

De beelden bleken ververst te zijn. Het was dezelfde kapel, het Hughes Auditorium, maar nu in kleur. De kostuums, stropdassen en keurige jurken uit de jaren zeventig zijn hoody’s en spijkerbroeken geworden. Het duurde even voor het tot me doordrong, maar de Asbury University Revival 2023 bleek gaande.

Anno 2023 hoef je niet naar Asbury af te reizen om te zien wat daar gebeurt en daar je mening over te geven. Er is lofprijzing en er is kritiek. Niet ieders hart begint meteen te trillen als je opwekking zegt. Pas op voor massahysterie, eerst afwachten wat de blijvende vruchten zijn, zeggen verstandige mensen.

Toch mogen we ook best een beetje bang zijn dat we tekortdoen aan wat daar nu gebeurt. Vijftien studenten bleven na de samenkomst nog wat zingen en bidden. Er was geen show, geen opgeklopte sfeer. De voorganger was ook niet bijzonder charismatisch geweest. Maar niemand wilde meer weg, en sindsdien blijven de mensen maar toestromen. Velen zijn wanhopig leeg, hongerig en dorstig, belast met allerlei zonden. Opwekking – het woord lokt als een lafenis. Een jonge verslaggever, speciaal naar Asbury gevlogen, barst voor de camera in tranen uit: „Jesus, don’t pass us by!” (Jezus, ga ons niet voorbij!)

Reserves hebben bij dit hele gebeuren (of de entourage ervan) mag. We hebben allemaal onze referentiekaders. Maar zolang die ons weghouden van dit korte gebed, zijn wij niet op onze plek. Dan beseffen we niet hoe groot de droogte in ons en rondom ons is. Dr. Martyn Lloyd Jones zei in 1959 al geen hoop meer te zien voor de kerk, tenzij we allemaal voor ”revival” gaan bidden. „Zodra we dat gaan doen, komt er hoop.”

Veel in het grote wereldgebeuren en in mijn kleine bestaan kan ik niet doorgronden. Eén ding weet ik wel: als in Kampen jongeren (en ouderen) niet meer uit de kerk zijn weg te slaan, als die tot barstens toe gevuld wordt met knielende, schuld belijdende mensen, gaan ook mijn handen de lucht in.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Maak mij zo heilig mogelijk

Dit essay schreef ik voor het RD Magazine van 31 december 2022.

https://www.rd.nl/artikel/1004094-verlangen-naar-uw-beeld-maak-mij-zo-heilig-mogelijk

De ongecensureerde versie is hier te vinden:

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Adventus

Elk jaar rond deze tijd hoor je het wel een paar keer: „Gemeente, jongens en meisjes, advent betekent verwachten!”

Op zo’n moment durf ik bijna niet meer opzij te kijken, vanwege het gegnuif en gegniffel daar, bang dat ik zelf mijn gezicht ook niet meer in de plooi kan houden. Omdat we het hier aan tafel al over hadden, omdat het zoiets als een sport geworden is: wie kunnen we hier dit jaar als eerste op betrappen?

Advent komt van ”adventus”, en het betekent niet ”verwachten”, maar ”komst”. Bij dezen bent u hartelijk gewaarschuwd. Er zou zomaar een koppeltje latinisten onder uw gehoor kunnen zitten dat gehakt van u maakt. Maar in figuurlijke zin klopt het natuurlijk: advent vraagt –van onze kant– verwachting.

Ik heb net ”De grote verwachting” van Rudolf van Reest uit. Deze oude roman over de tijd rond Christus’ geboorte is momenteel weer als herdruk verkrijgbaar, maar ik vond in de kringloop een gaaf exemplaar uit 1977. De zinnen zijn soms ouderwetsch, maar het is een prachtig boek, bijna filmisch geschreven, met grote kennis van zaken. Zacharias en Elisabet komen erin tot leven, en de oude, wijze Anna. En Simeon, de man met de droom. Voor Anna en Simeon lopen verwachting en komst naadloos in elkaar over.

Maar niet voor Jacob. Jacob, een jongen die geen priester wil worden omdat hij zo van dieren houdt. Hij snijdt zelfs een stukje van het oor van zijn lammetje af, zodat het niet geofferd kan worden. Jacob trouwt met zijn Rachel, die ene uit duizend, om haar weer te verliezen bij de geboorte van hun eerste kind. Een dochtertje, op wie ze jaren hebben gewacht. Jacob wordt een stille man, die Jeruzalem en de tempeldienst achter zich laat, om naar Bethlehem te verhuizen en daar schapen te houden. Het enige wat hij meeneemt van Jahwe is een handjevol woorden, die iemand ooit in zijn oor leek te fluisteren toen hij twee duiven bezig zag. „Al laagt gijlieden tussen twee rijen van stenen, zo zult gij toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven goud…”

Er zijn woorden die je nooit kwijtraakt, maar die als zaad in dorre wintergrond liggen. Alle verwachting in Jacob is verstorven.

En toch een komst. Het is Jacob die in die ene nacht de eerste shift van de nachtwacht op zich neemt, hij is de eerste die de hemel ziet openbreken in licht. Het is Jacobs herdershuis, dat huis met het lege hart, waarin het Kind Zijn intrekt neemt voordat Het met Zijn vader en moeder naar Egypte vlucht.

„Na mijn duisternis Uw licht, na mijn zwijgen Uw gedicht”, dicht Jaap Zijlstra in het gedicht ”Verwachting”.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie