Kapster, wat is jouw geheim?

Lang geleden, in een stad ver van de mijne, fietste ik na therapie toevallig langs een kapperszaak en stapte af. Ik had een knipbeurt nodig, en wellicht nog wat anders: aandacht, gezien worden.

Binnen trof ik Solange, die behalve op krullen ook dol op mensen bleek te zijn. Het werd zo’n zeldzame ontmoeting die je maken noch bedenken kunt. Genadig toeval. Het sprak vanzelf dat Solange mijn kapster werd, en dat is ze nog steeds.

Behalve een magische schaar heeft Solange ook een magisch oor. Ze lijkt alle klanten in haar hart te dragen. Ze luistert hen tevoorschijn, lokt hen voor even uit hun grot van eenzaamheid, pijn, bitterheid. Ik zie het soms gebeuren, en het intrigeert me. Kapster, wat is jouw geheim?

Soms barst ze bijna van alle verhalen die haar vanonder de kapmantel toevertrouwd worden. Dan ben ik graag haar luisterend oor en geheimenbewaarder.

„Heb jij ook niet-leuke klanten?” vraag ik Solange op een ijzige winterdag, terwijl ze een kruik in mijn schoot legt. Na een korte stilte zegt ze zachtjes: „Sommige mensen zijn echt slecht.” Ze vertelt over een vrouw die al jaren komt, en die na elke knipbeurt dingen zegt als: „Ik ben vanavond uitgenodigd voor een feest, maar met dit kapsel kan ik daar natuurlijk niet aankomen.” Of, met een blik in de spiegel: „Je was vandaag moe zeker… nou ja, laat ook maar.” Soms gaat Solange dan even naar achteren. Om iets lelijks binnen te houden, en te oefenen op iets aardigs.

„Hoe hou je dit vol?” vraag ik.

„Agapè,” zegt ze opgewekt, alsof het een nieuw merk haarlak is dat haar goed bevalt. „Wat kijk je nu?”

„Of jij daar soms een busje van hebt staan”, zeg ik. Ze legt haar handen op mijn schouders, en kijkt me via de spiegel recht aan. „Dit”, zegt ze, „vinden de meeste mensen heel eng. Zichzelf zien. Aangekeken worden. Wat ik dan allemaal zie.”

Ineens moet ik aan de lijdensmeditatie denken die ik net gelezen heb: ”De reddende blik”. Over Jezus Die Zich omdraaide en Petrus aankeek. En alles zag. Maar Solange leest geen boeken, en zeker niet van ds. L. Kievit, dus zeg ik niets.

„Jij weet zulke dingen, toch?” zegt ze. „Wat agapè is?”

„Ja”, zeg ik. „Dat is liefde die niet uit jezelf komt.”

„Klopt”, zegt Solange, „dus dan denk ik altijd maar…” De rest van haar zin gaat verloren in het geraas van de droogkap die ze over mijn oren trekt. Maar terwijl ze me in de spiegel met glinsterende ogen aankijkt, zie ik hoe haar roodgestifte mond een W vormt, en nog eens een W, en dan een J en een D.

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .