De meeste mannen deugen (niet)

e zitten op een bankje, Kees en ik. Op een meter afstand van elkaar, omdat we niet getrouwd zijn. En omdat Kees op de racefiets kwam en nu zit uit te dampen. Kees is mijn supervisor. Vanwege het uitbundige voorjaar besloten we elkaar buiten te ontmoeten. Het fijne aan Kees is dat ik niet op mijn woorden hoef te letten. Ik mag alles zeggen, ook zinnen met ”nooit” en ”altijd” erin, al is het overemotioneel en klopt er redelijkerwijs niets van.

„Ik ben al die mannen weer zo zat”, zeg ik. Kees trekt een wenkbrauw op. „Wie zijn al die mannen? Omschrijf ze voor me.”

„Al die mannen die iets over vrouwen vinden. Al die mannen die gebruik van je maken zolang dat past, maar je ook zo weer laten vallen als dat beter uitkomt.”

Kees knikt. Hij doet geen poging het mannelijk geslacht te verdedigen, maar belichaamt het perfecte tegenover van ”al die mannen”. „Naar”, zegt hij. „Ja”, zeg ik. Dan is het stil. Ik hoor vogels, het ritselen van jonge blaadjes. En ik hoor mezelf. „Sorry”, zeg ik tegen Kees, „ik ben net zo’n lp die altijd op hetzelfde punt blijft hangen.” „Dat heb je met krassen”, zegt Kees en hij klopt bemoedigend op mijn schouder.

Op dat moment komt er een echtpaar langs dat mij herkent. „Zo meneer Stam”, zegt de man tegen Kees, „hoe is het om een beroemde vrouw te hebben?” „Ach”, zegt Kees zonder blikken of blozen, „liefde geeft niets om beroemdheid. Maar ik ben best trots op haar.” „Nou”, zegt de man, „ze zou aan mij een andere hebben. Zoals mijn vader altijd zei: Spreken is zilver, zwijgen is goud.” Vette knipoog naar mij.

Kalm vouwt Kees het ene wielrennersbeen over het andere. „Meneer, mijn godvrezende opa zei: Als je je huisgezin wél wilt regeren, heb dan je vrouw lief. Dat zou ook in groter verband weleens een goed advies kunnen zijn. Heb de vrouw lief. En dan bedoel ik: praat met haar, niet over haar. Neem haar serieus. Gebruik haar niet voor je eigen doeleinden. Laat háár stralen.”

„Maar Kees”, zeg ik even later als we uitgegrinnikt zijn, „dat was écht een mooie toespraak. Mag ik hierover schrijven? Als moederdagcadeautje in groter verband?” Kees knikt. „Ik dacht al dat je dat ging vragen.” Als ik hem mijn schrijfsel mail, zegt hij: „Mooi geworden. Zou je misschien mijn echte naam willen gebruiken? Ik weet niets voor Moederdag, maar dan leg ik de krant bij haar ontbijt. Vindt ze vast prachtig.”

„Bedankt!” mail ik. „Maar Kees blijft Kees.”

„Je hebt gelijk”, schrijft hij terug. „Zo zie je maar: de meeste (aardse) mannen deugen niet.”

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Kapster, wat is jouw geheim?

Lang geleden, in een stad ver van de mijne, fietste ik na therapie toevallig langs een kapperszaak en stapte af. Ik had een knipbeurt nodig, en wellicht nog wat anders: aandacht, gezien worden.

Binnen trof ik Solange, die behalve op krullen ook dol op mensen bleek te zijn. Het werd zo’n zeldzame ontmoeting die je maken noch bedenken kunt. Genadig toeval. Het sprak vanzelf dat Solange mijn kapster werd, en dat is ze nog steeds.

Behalve een magische schaar heeft Solange ook een magisch oor. Ze lijkt alle klanten in haar hart te dragen. Ze luistert hen tevoorschijn, lokt hen voor even uit hun grot van eenzaamheid, pijn, bitterheid. Ik zie het soms gebeuren, en het intrigeert me. Kapster, wat is jouw geheim?

Soms barst ze bijna van alle verhalen die haar vanonder de kapmantel toevertrouwd worden. Dan ben ik graag haar luisterend oor en geheimenbewaarder.

„Heb jij ook niet-leuke klanten?” vraag ik Solange op een ijzige winterdag, terwijl ze een kruik in mijn schoot legt. Na een korte stilte zegt ze zachtjes: „Sommige mensen zijn echt slecht.” Ze vertelt over een vrouw die al jaren komt, en die na elke knipbeurt dingen zegt als: „Ik ben vanavond uitgenodigd voor een feest, maar met dit kapsel kan ik daar natuurlijk niet aankomen.” Of, met een blik in de spiegel: „Je was vandaag moe zeker… nou ja, laat ook maar.” Soms gaat Solange dan even naar achteren. Om iets lelijks binnen te houden, en te oefenen op iets aardigs.

„Hoe hou je dit vol?” vraag ik.

„Agapè,” zegt ze opgewekt, alsof het een nieuw merk haarlak is dat haar goed bevalt. „Wat kijk je nu?”

„Of jij daar soms een busje van hebt staan”, zeg ik. Ze legt haar handen op mijn schouders, en kijkt me via de spiegel recht aan. „Dit”, zegt ze, „vinden de meeste mensen heel eng. Zichzelf zien. Aangekeken worden. Wat ik dan allemaal zie.”

Ineens moet ik aan de lijdensmeditatie denken die ik net gelezen heb: ”De reddende blik”. Over Jezus Die Zich omdraaide en Petrus aankeek. En alles zag. Maar Solange leest geen boeken, en zeker niet van ds. L. Kievit, dus zeg ik niets.

„Jij weet zulke dingen, toch?” zegt ze. „Wat agapè is?”

„Ja”, zeg ik. „Dat is liefde die niet uit jezelf komt.”

„Klopt”, zegt Solange, „dus dan denk ik altijd maar…” De rest van haar zin gaat verloren in het geraas van de droogkap die ze over mijn oren trekt. Maar terwijl ze me in de spiegel met glinsterende ogen aankijkt, zie ik hoe haar roodgestifte mond een W vormt, en nog eens een W, en dan een J en een D.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Er was eens een dominee

Column in het Reformatorisch Dagblad van zaterdag 29 november 2025

Een goed kerstverhaal schrijven is hondsmoeilijk. Elk jaar hoop ik maar dat niemand me daarvoor vraagt. Alleen al omdat zo’n vraag steevast voor de zomer komt, en ik achter de ventilator geen kerstverhaal schrijven kan.

En verder: wat maakt iets tot een kerstverhaal? Sneeuw, wolven, nachtelijke avonturen? Eenzame mensen, diners met onverwachte gasten? De meeste kerstverhalen zijn gewoon winterverhalen met wat (naasten)liefde erin. Doe jij het dan beter, zegt mijn lege scherm. Een stevige Bijbelse boodschap erin, dat zal helpen. Maar ook van dat soort verhalen word ik doorgaans niet blij. Vaak gaat het me allemaal te snel – van het donker naar het Licht, van diepe ellende naar Ere zij God.

Advent is niet goedkoop. Het is wachten in het donker, op wat nog niet te zien is. Het gaat tegen alle menselijke logica in. We willen allemaal de troost van lichtjes in het donker. Iets zien, iets voelen, iets ervaren wat ons hoop geeft. Mensen uit de wereld ja, maar mensen uit de kerk net zo goed.

Er was eens een kind van God, dat altijd veel vertellen kon. Hoe God Zich liet zien in haar leven, wat ze aan de preken had, wat ze meemaakte tijdens het Heilig Avondmaal. En toen ebde dat in korte tijd allemaal weg. Sneeuw voor de zon. Grauwe blubber. De dominee ging met een ouderling bij haar op huisbezoek – ze kwamen er graag. Maar ze deed nijdig. Ze ontving niets meer. Ze dacht dat het aan de dominee en zijn preken lag, dus daar raasde ze een poosje over. De mannen zeiden niet veel. Na afloop lichtte de dominee zijn hoed. In de auto keek hij zijn broeder vergenoegd aan: „Mooi bezoek hè?” Die keek verbaasd opzij. De dominee had lichtjes in zijn ogen.

Nee, ik was die vrouw niet. Maar ik had het kunnen zijn. En ik ben vast niet de enige die er iets in herkent. Wachten in het donker moet niet te lang duren. Anders worden we wanhopig, depressief, gaan we om ons heen klauwen. Ja, ook kinderen van God. Je kunt alle (geestelijke) gevoel verliezen. Schier atheïst in het diepst van je gedachten worden. Dan dooft de hoop. Waarom zou God nog iets geven aan iemand die Hem verdenkt? Die zelfs geen verlangen meer naar Hem voelt?

Omdat Jezus komt waar Hij niet welkom is. Hij heeft onze gevoelens en aandoeninkjes niet nodig. Ze staan Hem eerder in de weg. Dus als ze opgeruimd worden, is Hij Zelf in aantocht. Ik denk dat die uitgefoeterde dominee dat zag. Een licht zo groot, zo schoon dat hij zichzelf vergat.

Dit viel me op een hete zomerdag toe – het beste kerstverhaal ooit. Mét lichtjes.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Bidpijn

Een pastoraal werker zonder gebed is als een duiker zonder zuurstoffles. Je bent dwaas als je denkt zonder te kunnen. Helaas leeft dat niet altijd. Soms navigeer ik tijdens een gesprek moeiteloos van ”wat is het probleem” naar ”waar heb je dat eerder in je leven meegemaakt?” tot ”dit is wat je moet doen of (toe)laten”, en vergeet zomaar te bidden.

Maar geregeld komen er mensen op mijn pad die al jaren in beeld zijn bij de ggz. Hun problematiek heet ”complex”. De put waarin ze me laten blikken is onvoorstelbaar diep. Dan voel ik me nadrukkelijk ‘maar’ een pastoraal werker. Iemand die geen traumatherapie kan bieden, nauwelijks weet hoe je een mens met dissociatieve persoonlijkheidsproblematiek benaderen moet. Ik kan ‘alleen maar’ luisteren. En bidden dus. „Maak mij een instrument van Uw vrede. Laat mij licht brengen aan wie in duisternis is…” Dan hangt het niet langer van mij af.

En dan zit er een jonge vrouw tegenover me die zegt: „Zodra ze met me gaan bidden schreeuwt alles in mij: Hou op!” Jarenlang is ze misbruikt. Door iemand die van haar hield (dacht ze) en die haar nodig had (geloofde ze). Hij is ermee weggekomen, als man, als vader, als ambtsdrager in een reformatorische kerk. Zij oogt stevig. Heeft een mooi gezin. Is door alle therapie heen een duizend keer wijzer en mooier mens dan veel leeftijdsgenoten. Maar ze bloedt uit vele wonden. Een misvormde identiteit, kinderen die lijden onder haar psychische problematiek, de onmogelijkheid om normaal intiem te zijn met haar man. Een lichaam dat letterlijk is gaan staan naar onveiligheid en doodsangst. Waarom geneest God anderen wel maar haar niet?

Een verhaal om bij weg te lopen. Wat veel mensen dan ook letterlijk of figuurlijk deden. De eenzaamheid heeft een goede schrijfster van haar gemaakt. Details die ik lees zou ik hier graag delen, om ze op duizend netvliezen te krijgen. Ik doe het niet. Veel vrouwen zouden erdoor getriggerd worden.

Deze gelovige vrouw beleeft bidden als het ‘wegmaken’ van haar verhaal. Net als aandringen op EMDR, op vergeving, op herstel van contact met haar familie. Allemaal goedbedoeld, maar ook wegschuivend. Dek de wonden af. Omwikkel met schoon verband –een advies, een doorverwijzing– en zet het vast met een bewogen, hoopvol gebed. Meer kun je niet doen.

Jawel. We kunnen welbewust niets doen. Zwijgend op de bodem van de put gaan zitten, naast haar, desnoods zeven dagen lang. Luisteren, luisteren, luisteren naar dat pijnlijke verhaal, totdat het helemaal verteld is.

Ik bid niet met haar. Ik laat het doelbewust na. Ik hou mijn mond, machteloosheid en een gevoel van tekortschieten verdragend. Ik laat het bloeden tot God.

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Yorkshire Tales

Meer beweging? Ga naar een afgelegen oord en laat de auto thuis. Reis per trein, en zorg dat het dichtstbijzijnde station op meer dan een halfuur lopen van de accommodatie ligt. Minder op je telefoon? Idem. Kies daarbij voor een terras met uitzicht dat elk scherm doet verbleken.

Zelfs de treinfans in het gezin schudden aan het begin hun hoofd: kon het niet een tandje minder? Een stukje lopen vanaf een station, vanzelf, maar elke keer drie kwartier? De vraag wat wij deze vakantie deden valt in elk geval heel simpel te beantwoorden: lopen, lopen en nog eens lopen. Met als enige focus het omzeilen van schapenpoep, want in de Yorkshire Dales is het schaap koning.

Persoonlijk vond ik het heerlijk. Al dat lopen, maar ook dat je alleen maar schapen tegenkomt. Deze vakantie geen „Refo-alert mam!” gehoord. Dat was in Zeeland, waar we jaren naartoe gingen, wel anders.

Het is natuurlijk niet aardig om dat hier op te schrijven. Alsof refo’s nare mensen zijn om tegen te komen (en alsof ik er zelf geen ben). Ik koester mooie ontmoetingen met mensen die me ondanks mijn zonnebril herkennen en over mijn ‘stukjes’ beginnen – al weet ik nooit goed wat terug te zeggen. Maar elke introvert zal begrijpen dat je soms gewoon niemand wilt tegenkomen, zelfs de leukste niet.

Noord-Engeland is wat dat betreft ideaal. Op het terras gezeten laat ik ogen en gedachten gaan over het groen, de eindeloze slingermuurtjes van gestapelde stenen waartussen vogeltjes schuilen. God kun je niet alleen uit de natuur leren kennen, maar een landschap als dit maakt geloven in Zijn bestaan toch minder moeilijk. Alsof woord en beeld meer een eenheid vormen.

Dan kom ik op de paadjes van mijn gedachten toch weer mensen tegen, die ik samen met werk en computer achtergelaten dacht te hebben in dat drukke Nederland. Mensen die niemand weten om mee op vakantie te gaan, die dolgraag eens iemand tegen zouden komen (géén schaap), die worstelen met het grijze kleed dat over elke nieuwe dag wordt gegooid. Een stem zegt: Denk je dat het voor hén iets uitmaakt hoe mooi de natuur is, dat ze daarvan opknappen? Ze zien het niet eens. Stap uit je sprookje. Laat liever iets van je horen.

En ik ga naar binnen, pak die ellendige telefoon en stuur haar die als een berg tegen de lege weken opzag: „Hoe gaat het?” Ze reageert meteen. „Zit buiten. Prachtige luchten hier.” Drie foto’s. En dan: „Al zoveel wolken gezien waarop Jezus kan terugkomen.”

Weer terug naar buiten. In de avondzon loopt een stemmeloos schaap dat onvermoeibaar mensen volgt en achternaloopt, totdat ze zich omdraaien.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Dorst

Midden op de dag zit ik op een terras – alleen. Zonnebril op, drankje binnen handbereik, lome houding. Dat is de buitenkant. Vanbinnen razen gedachten over een vierbaansweg: waarom, waartoe, waarheen, waarvoor

Terrassen kunnen ook pleisterplaatsen voor de ziel zijn. Je wordt er in elk geval praktisch ontzorgd, en bij geroezemoes en glazengetinkel kun je goed nadenken.

Veel vijftigplusechtparen deze dag: dezelfde fietsen, jassen en verveelde blik. Ze lijken elkaar weinig meer te vertellen te hebben. Als de een praat terwijl de ander nadrukkelijk zwijgt, wordt het interessant. Dan valt er iets te raden. Is het een bozig, vermoeid of aangenaam zwijgen?

Mijn terrasbuurman –ik noem hem Arie– praat aan één stuk door. Hij wil met de camper langs de kust van Frankrijk trekken, hij wil de schilder vast vragen voor volgend jaar, hij wil met Jan en Connie een dag fietsen. Hij maakt zich wel druk over die fietsendrager van hen, oud model alweer. Kun je daarover beginnen? … „Ja natuurlijk, als vrienden moet dat kunnen”, stelt hij zelf vast.

Etend en pratend bestelt hij nog een portie bitterballen en zegt tegen de serveerster dat hij steevast trek heeft. Waarschijnlijk omdat hij bruist van de energie, altijd moet hij dóór van zichzelf. „Geniet ervan”, zegt het meisje mechanisch.

Arie mept Jannie –zo noem ik zijn vrouw– lachend op haar knie: „Hé, hoor je dat? Lekker genieten, meissie. Daar zijn we hard mee bezig toch?”

Dan doet Jannie voor het eerst haar mond open. „Misschien heb je gewoon dorst”, zegt ze. Als Arie zowaar stilvalt, kijkt ze mij aan: „Mensen denken vaak dat ze moeten eten terwijl ze eigenlijk water nodig hebben. Wist je dat?”

„Nee, maar ik schrijf het meteen op”, zeg ik. Terwijl Arie haar opnieuw bulderend op de knie mept, zet ik Jannies honger-is-eigenlijk-dorstbril op.

Plotseling zie ik het overal. Gepraat over vakantieplannen? Dorst. Behoefte aan een nieuw interieur? Dorst. De zoektocht naar de meest passende baan, het beste huis, de begeerde partner? Dorst. Alles afgevinkt en nog steeds chronisch onrustig? Dorst.

Maar de put ligt diep. Een geestelijke status, vaste gebedstijden, tot zegen voor anderen en toch die leegte? Dorst, wanhopig makende dorst…

Aan de andere kant is ook een echtpaar komen zitten, met hond. Hij strekt zijn hijgende flanken uit over de tegels. De serveerster brengt een gratis volle drinkbak. Het water klotst onverschillig over de rand. Ik kijk Jannie aan, maar ze ziet het niet.

Dan schrijf ik het maar op. Hoe ik op het heetst van de dag iemand ontmoette, die me zei dat een mens dorst kan hebben zonder het te weten. Hoe ik toen alleen nog maar aan water kon denken. Niet als een hond, maar als een hert.

Geplaatst in Uncategorized | 3 reacties

Moeder is thuis

Een moederdagcolumn, verschenen in RDMagazine op zaterdag 10 mei

Een jonge SGP’er sprak: “De vrouw is van onschatbare waarde – in het gezin. Heel veel maatschappelijke problemen kunnen worden voorkomen als de Bijbelse rolpatronen van man en vrouw worden nageleefd.” (RD 3-5-2025).

Ik heb daar een korte overpeinzing bij.

Die gaat niet over de onschatbare waarde van singles, hoewel iets in deze uitspraak daarom schreeuwt, maar over moeders in hun gezin. Het gekke is dat daar in reformatorische kring zelden bevindelijk op gereflecteerd wordt. Zoals een mens nog geen waar gelovige is als hij tweemaal per zondag in de kerk zit, zo is een moeder nog geen ware moeder als ze zeven dagen per week thuis is. Sterker nog: je kunt thuis zijn zonder er echt te zíjn. En je kunt buitenshuis werken en toch een volop aanwezige moeder zijn.

Nogal wat vrouwen lijden aan de ‘moederwond’: ze hadden een moeder die hen geen nabijheid, emotioneel contact en liefdevolle bevestiging kon geven.

Ik wil geen klap uitdelen aan die moeders. Vaak lopen die rond met een chronisch schuldgevoel, zonder te weten hoe het anders had gemoeten. Soms was moeder wórden al moeilijk omdat de weeën en de bevalling hevige herbelevingen opriepen.

Ze worstelden zich door de borstvoeding heen, probeerden hun kindjes basale zorg en aandacht te geven. Emotioneel bleven ze op slot. Bang voor die donkere kamer daarachter, voor wat en wie er allemaal zou instorten als die openging.

Een vrouw vertelde hoe ze haar tachtigjarige moeder een bloemetje bracht. Die zat stil aan tafel. Oude handen plukten aan het pluchen tafelkleed. Geen trek in een gebakje, geen interesse in bloemen.

Even later kwam het eruit. Over die ene broer van haar, en ja, later ook oom die-en-die. En dat ze al die jaren dacht: niks zeggen, dan wordt het niet groter dan het is. Desondanks was het gegroeid. Het doemde op als een spook, in haar ogen, in het huis waar ze haar zes kinderen opvoedde, zeven dagen per week.  De dochter had altijd het gevoel gehad dat ze voor haar moeder moest zorgen.

Op deze Moederdag ging eindelijk het slot eraf. De woorden hingen dik en zwart boven de fleurige bloemen. Maar de dochter zei: hoe verdrietig ook, ik voelde me lichter dan ooit. Want ik had weer een moeder. Ik hàd haar.

Soms betekent moederschap ook dit: bevallen van wat je al heel lang alleen draagt. De verantwoordelijkheid nemen om mensen daarin toe te laten. Voor je gevoel loopt dan misschien alles uit de hand. Maar uiteindelijk zal het je gezin ten goede komen. En de maatschappij. En dat Koninkrijk van Licht, waarin alleen maar onbezorgde kinderen wonen.

Geplaatst in Uncategorized | 6 reacties

Nooit meer gapen

Column in het Reformatorisch Dagblad van 22 maart jl

Jonah Falkes boek over de Bible Belt is al aan de vijfde druk toe. Dat is vast mede te danken aan alle refo’s die weleens in die milde, sympathieke spiegel willen kijken. Ook ik geniet van Falkes frisse blik en scherpe, humoristische observaties.

Falke heeft een bijeenkomst bijgewoond van het Dutch Bible Belt Network over de positie van de vrouw. De eerste sprekers boeien hem niet. Hij bekijkt de schaduwen op het systeemplafond, beoordeelt de wijdte van gapende monden in het publiek. Maar dan staat er een vrouw op die luid en zelfverzekerd spreekt “alsof ze muffe stoffige matten uitklopt”. Falke schrijft: “Ik ga rechtop zitten, er is niemand die nog zal gapen.”

Wat een prachtige zin, wat een herkenbare observatie. Ook ik val in slaap bij keurige betogen, maar veer op bij een recht-uit-het-hart-mens, en zeker bij een recht-uit-het-hart-refo. Iemand die eerlijk en persoonlijk over gevoelig liggende thema’s spreekt, zonder meel in de mond. Iemand die iets zegt dat ertoe doet.

Veel mensen zeggen wat ze horen te zeggen, wat op instemming kan rekenen, wat te onderbouwen valt. Recht-uit-het-hart spreken, ongemaskerd delen wat er van binnen leeft, is dan ook spannend. Het maakt je weerloos. Het kan je zomaar de (refo)kop kosten.

Op de website van CVandaag is het levensverhaal te lezen van een veertiger die dat heeft ondervonden. Hij kon niet geloven dat God ook naar hem zou omkijken. Elke zondag nam hij zijn plek in in een reformatorische gemeente, maar innerlijk was hij afgehaakt. Zijn indrukwekkende bekeringsverhaal ontroert me elke keer weer. Hoe God werkt in de 21e eeuw. De majesteit ervan.

Niet overal landt het zo. Toen de man voor het eerst binnen zijn kerkverband deelde hoe hij tot geloof was gekomen, noemde hij daarbij een naam van een theoloog wiens boeken en lezingen een belangrijke rol speelden in dat proces. Maar die naam viel verkeerd. De felle afwijzing die de veertiger vervolgens kreeg, staat niet op zichzelf.

Ook dit is een spiegel voor de Bible Belt, maar dan wel een grimmige. Ik hoop dat we erin durven kijken. En dat we van de schrik ook een ommekeer maken, van hard naar hart. Dat we recht-uit-het-hart gaan luisteren naar elkaar, al botst het verhaal van die ander misschien met alles wat je goeddunkt, gelooft of rechtzinnig acht. Dat we de ootmoed hebben om Gods grootheid te zien in de veelkleurigheid van Zijn werk. Altijd weer anders, altijd weer met onmetelijke wijsheid op maat gesneden.

Misschien kan Jonah Falke ons met zijn milde pen een handje helpen door nog een boek te schrijven, waarin hij Bible Belt-mensen onbevangen bevraagt op gevoelig liggende thema’s. De titel: Nooit meer gapen.

Het levensverhaal waar ik over schrijf is dat van Barend de Jong, te lezen via deze link

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Reizen om thuis te komen

Column in het Reformatorisch Dagblad van 8 februari 2025

Sinds een jaar heb ik een kamer voor mezelf – wat een geluk! De deur achter je huishouden dichttrekken en de stilte in fietsen. Van stad naar platteland, van rommeltjes en klusjes naar een plek waar alles blijft zoals ik het achterlaat. Geen mensen, alleen boeken en gedachten. Koffiedrinken met de boom voor mijn raam.

Maar. Uiterlijke onrust kun je achterlaten, innerlijke niet. Ben ik in die prachtige, stille kamer, voel ik de onweerstaanbare drang om op reis te gaan. Dat is tragisch in een mensenleven: heb je je droom bereikt, blijkt je hart nog altijd onrustig. Ooit hoorde ik in een preek dat voor elk geluk dat je hier najaagt geldt: „…en ziet, het was Lea” (Genesis 29:25)

Soms vliegt de stilte mij aan. Dan verwijt ik mijn boom dat hij niks terugzegt. Dan móét ik de trein pakken, of de auto (het vliegtuig laat ik hier nadrukkelijk achterwege).

En Blaise Pascal fluistert: „Al het leed der mensen spruit hieruit voort, dat zij niet rustig in hun kamer kunnen blijven.”

Daarover mijmer ik, een reisgidsje over de Yorkshire Dales in mijn handen. Het vinden van een goed vakantieverblijf is in huize Stam altijd een puzzel. Allemaal verliefd op Engeland, dus dat ging snel. Maar verder moet het huis dicht bij een station zijn, en tóch in de natuur. Voldoende slaapkamers, maar a.u.b. niet allemaal twijfelaars. (Britten grossieren daarin.)

Nu het perfecte huisje geboekt lijkt, maakt Pascal van mij een twijfelaar. Stel dat het twee weken lang regent? Dat het snikheet is? Dat het er stikt van de muggen? Wat is het ergste wat er kan gebeuren, vraagt de pastoraal werker in mij aan mijn angstige zelf. Maar dat is het nu juist. Wat er in die veertien dagen van huis allemaal aan leed kan geschieden gaat mijn schrijversverbeelding te boven. Wat bezielt reizigers eigenlijk, wat zoeken we?

Om mijn vastlopende pensées te ontvluchten, neem ik doelloos de trein. We naderen Kampen alweer. In de trein zit een meisje, en op het perron staat een jongen. Zij vliegt eruit en hij vangt haar op. Terwijl ik denk: Rachel of Lea? zegt een luide stem door de coupé: Zo’n ontvangst willen we allemaal wel!

En dan weet ik het. We reizen omdat we thuis hopen te komen. Ergens, of bij iemand. En misschien zijn er juist veel omzwervingen (en veel leed) nodig om te ontdekken dat dat verlangen hier nooit blijvend wordt vervuld. Dat leer je niet in een kamer, Pascal.

Tevreden met deze conclusie stap ik mijn keukentje binnen. Om daar te ontdekken dat –o misère– mijn handtas in de trein is achtergebleven.

Pascal heeft gelijk. Maar ik heb een column.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Dag Bovenkerk

Op onze laatste zondag in de Bovenkerk klom er een kind in de steigers. Een kind dat niet naar de crèche wilde, en dat zich met alle kracht in knuistjes en knieën vastklemde aan de buizen. Ik keek er met welgevallen naar. Alsof er recht werd gedaan aan een tot dan toe nauwelijks gevoelde emotie.

Ook in mij zit zo’n kind. Een kind dat niet weg wil uit de Bovenkerk. Maar dat gaat wel gebeuren, nu we ons eigen kerkgebouw na ruim een jaar verbouwen weer hopen te betrekken.

Emoties zijn er in soorten en maten. Soms zijn ze groot, duidelijk en toegestaan, zoals wanneer een dierbare overleden is. Lastiger zijn de kleine vormen van rouw. Je verliest iets, maar het lijkt te onbeduidend om er aandacht aan te besteden. Zodra je zo’n emotie toelaat, staat er vanbinnen een sussende moeder op die zegt: Sssj. Niet huilen. Je weet toch dat dit geen zin heeft? Kom, we gaan weer naar onze prachtige, nieuwe, comfortabele kerk. Bedenk hoeveel werk daar is verzet. Hoeveel offers er voor de dienst des Heeren gebracht zijn. Wees dankbaar.

De afgelopen zondagen probeerde ik soms (h)erkenning te vinden onder het uitstromende kerkvolk. Vindt u het ook zo jammer dat dit binnenkort ophoudt? Nee, want ik zit altijd achter zo’n pilaar. Nee, want die stoelen…Nee, want al die geluiden…

Intussen weet ik dat er gelukkig meer missende mensen zijn. En onze ouwe trouwe Poortkerk is mooi geworden, absoluut. Maar toch. Waar moet je heen met je rouw om een tijdelijk kerkgebouw?

Waarover men niet spreken kan moet men schrijven. Dus dag Bovenkerk met je steigers als klimrekken, je zicht belemmerende pilaren, je ongemakkelijke stoelen. Opkijkend naar jouw machtige gewelven verstomden de vragen. Mensen zijn zo klein, God is zo groot.

Ik hoop dat je nooit boekhandel wordt, of hotel. Ik bid dat we met elkaar een manier vinden om je Godshuis te laten blijven, met erediensten en al. Ik bewaar het beeld van onze laatste zondag binnen je muren, op een donkere decemberdag voor Kerst. Het zachte licht van de kroonluchters boven de lange witte tafels. Het gebroken brood, de ingeschonken wijn. Ter gedachtenis van Hem Die al eeuwen in je verkondigd wordt.

Aan het einde van de laatste dienst keek ik nogal dwingend naar het orgel. Dit verhaaltje stond al in de steigers, het had alleen nog een mooi afgerond einde nodig. Daarvoor zou het fijn zijn als nu ”O God, Die droeg ons voorgeslacht” gespeeld werd.

Het werd Psalm 25 van W.H. Zwart. In dit leven is zelden iets rond of af, kind. Het blijft allemaal steigerwerk. O God, wees eeuwig ons Tehuis.

https://www.rd.nl/artikel/1090052-dag-bovenkerk-ik-hoop-dat-je-nooit-boekhandel-wordt-of-hotel

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie