e zitten op een bankje, Kees en ik. Op een meter afstand van elkaar, omdat we niet getrouwd zijn. En omdat Kees op de racefiets kwam en nu zit uit te dampen. Kees is mijn supervisor. Vanwege het uitbundige voorjaar besloten we elkaar buiten te ontmoeten. Het fijne aan Kees is dat ik niet op mijn woorden hoef te letten. Ik mag alles zeggen, ook zinnen met ”nooit” en ”altijd” erin, al is het overemotioneel en klopt er redelijkerwijs niets van.
„Ik ben al die mannen weer zo zat”, zeg ik. Kees trekt een wenkbrauw op. „Wie zijn al die mannen? Omschrijf ze voor me.”
„Al die mannen die iets over vrouwen vinden. Al die mannen die gebruik van je maken zolang dat past, maar je ook zo weer laten vallen als dat beter uitkomt.”
Kees knikt. Hij doet geen poging het mannelijk geslacht te verdedigen, maar belichaamt het perfecte tegenover van ”al die mannen”. „Naar”, zegt hij. „Ja”, zeg ik. Dan is het stil. Ik hoor vogels, het ritselen van jonge blaadjes. En ik hoor mezelf. „Sorry”, zeg ik tegen Kees, „ik ben net zo’n lp die altijd op hetzelfde punt blijft hangen.” „Dat heb je met krassen”, zegt Kees en hij klopt bemoedigend op mijn schouder.
Op dat moment komt er een echtpaar langs dat mij herkent. „Zo meneer Stam”, zegt de man tegen Kees, „hoe is het om een beroemde vrouw te hebben?” „Ach”, zegt Kees zonder blikken of blozen, „liefde geeft niets om beroemdheid. Maar ik ben best trots op haar.” „Nou”, zegt de man, „ze zou aan mij een andere hebben. Zoals mijn vader altijd zei: Spreken is zilver, zwijgen is goud.” Vette knipoog naar mij.
Kalm vouwt Kees het ene wielrennersbeen over het andere. „Meneer, mijn godvrezende opa zei: Als je je huisgezin wél wilt regeren, heb dan je vrouw lief. Dat zou ook in groter verband weleens een goed advies kunnen zijn. Heb de vrouw lief. En dan bedoel ik: praat met haar, niet over haar. Neem haar serieus. Gebruik haar niet voor je eigen doeleinden. Laat háár stralen.”
„Maar Kees”, zeg ik even later als we uitgegrinnikt zijn, „dat was écht een mooie toespraak. Mag ik hierover schrijven? Als moederdagcadeautje in groter verband?” Kees knikt. „Ik dacht al dat je dat ging vragen.” Als ik hem mijn schrijfsel mail, zegt hij: „Mooi geworden. Zou je misschien mijn echte naam willen gebruiken? Ik weet niets voor Moederdag, maar dan leg ik de krant bij haar ontbijt. Vindt ze vast prachtig.”
„Bedankt!” mail ik. „Maar Kees blijft Kees.”
„Je hebt gelijk”, schrijft hij terug. „Zo zie je maar: de meeste (aardse) mannen deugen niet.”



