Gods goede doel

Column in het Reformatorisch Dagblad van 9 november 2024

De lessenaar staat klaar, het publiek zit te wachten. Alles en iedereen is voorbereid, behalve ik. Ik heb niets op papier. Mijn hoofd is volledig blanco. Zwetend word ik wakker. De droom is bedrog, de gedachte soms akelig reëel. Wat dóé ik hier? Ik heb niets te vertellen.

Margaret Sparhawk (25), de hoofdpersoon uit Elisabeth Elliots enige roman, ”Vertekend beeld”, maakt dit werkelijk mee. Vol geloof en passie is ze aan de slag gegaan voor een genootschap dat zich ”Indianen voor Christus” noemt. Ze woont alleen in het Andesgebergte en probeert contact te leggen met de Qhichwa. Dat gaat moeizaam. Ze lijken haar te ontwijken. De boodschap die ze brengt, glijdt als water van hen af. Haar offers worden niet gewaarde

Op een zendingsconferentie wordt Margaret geacht haar eerste ervaringen te delen. Collega’s brengen gedetailleerde verhalen en spreken over ”onze mensen”, ”ons werk” en ”ons werkterrein”. Hoort Margaret daarbij? Welke wapenfeiten kan ze melden? Ze wordt tenslotte niet betaald om de afwas te doen in een vreemd land. Breng het licht, zingen de zendelingen vol overgave.

Gelukkig. Pedro, een indiaan, blijkt bereid haar te helpen om de taal te leren en op schrift te stellen. Eindelijk gebedsverhoring. Maar op een dag heeft Pedro een wond aan zijn been en als Margaret hem een injectie geeft volgt een allergische reactie. Waaraan Pedro sterft, ondanks haar wanhopige gebeden.

Als God roept naar een land, een volk, een taak, gaan we aan de slag. Ons doel is duidelijk, de ijver groot. Vooruitgang noemen we zegen. Tegenslag is werk van de duivel. Wellicht moet er meer gebeden worden. Maar wat als je nergens meer chocola van kunt maken? Als je je motivatie volledig kwijtraakt? Als God ”fini” lijkt te schrijven onder alles wat je voor Hem deed?

Margaret schrijft geen nieuwsbrieven meer. Wat zou ze erin moeten zetten? „Ik weet niet meer wat ik hier doe? Ik voel me verraden?” Pas als ze Pedro’s graf bezoekt –een hoop dorre aarde en een schamel kruisje met een opschrift in pen– beseft ze waarom ze hier is. Ze moest zélf de ware God leren dienen. Niet de god-van-mijn-plannen, hoe geestelijk die plannen ook zijn. God heeft haar niet bedrogen, maar bevrijd. Om onze afgoden te verbrijzelen moet Hij soms alles laten vastlopen.

De spiegel die Elliot in deze roman voorhoudt, is pijnlijk. Vastlopen met je roeping is moeilijk. Maar dit plaatje is onverdraaglijk: dat God aan de deur komt en vraagt: „Hebt u uzelf over voor Míjn goede doel?” En dat wij –die uit volle borst „Delf vrouw en kind’ren ’t graf, neem goed en bloed ons af” hebben staan zingen– de deur dan in Zijn gezicht dichtslaan

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Wij allen vallen

Column in het Reformatorisch Dagblad van 28-09-2024

Ik hou van september. Van het lage licht, de nieuwe appeltjes en de vallende noten. Gedempte kleuren en geluiden. De nachten weer fris. Ik kijk er altijd verlangend naar uit. „Heer: het is tijd. De zomer was zo rijk. Leg nu uw schaduw op de zonnewijzers en laat de winden op de velden vrij. Beveel de laatste vruchten rijp te zijn; verleen ze nog twee zuidelijker dagen…” (Rainer Maria Rilke

Afgelopen week heb ik vijf tomaten rood zien worden. Maar er zitten ook veel groene kleintjes aan die niet meer zullen rijpen. Net wel of net niet – ook dat is september. Een kantelpunt. Van zonnig kan het zomaar naar grijs gaan, van warm naar koud, en van blij naar somber

Daarom vrees ik september ook. Er ligt een daglichtlamp klaar in mijn bureaula. De ”mentale schijf van vijf” van psychiater Esther van Fenema heb ik alvast uit mijn hoofd geleerd. Beweeg voldoende, plan genoeg rust, praat over je problemen, investeer in sociale contacten, wees matig met telefoongebruik…

De dichter William Cowper (1731-1800), aan wie ik steevast in september denk, had zeker geen telefoonprobleem en hield zich aardig aan Van Fenema’s adviezen. Hij wandelde wat af, bracht vele uren starend uit het raam door, en schreef lange, openhartige brieven aan vrienden. Troostvolle, gelovige regels ontsproten aan zijn pen. „Geliefden Gods, schept nieuwe moed, de wolken die gij vreest, zijn zwaar van regen, overvloed van zegen die geneest” (gezang 447, LvdK).

Maar deze begaafde man –tijdens zijn bekering krachtig uit een depressie gehaald, en tot grote geestelijke hoogten gebracht– genas mentaal niet. Vijfmaal was hij zwaar depressief, driemaal deed hij een suïcidepoging.

Vanuit Cowpers biografie is zijn neiging naar depressie wel te verklaren. Hij had verlatingsangst. Op 6-jarige leeftijd verloor hij zijn moeder, een wond die telkens opnieuw openging als hij mensen kwijtraakte aan wie hij gehecht was. Als jongetje werd hij gepest. Melancholie zat in de familie. Later lijkt er ook sprake te zijn van demonische aanvallen. Cowper dacht toen dat God hem voorgoed verlaten had. Hij voelde zich een herfstblad, tollend in de wind. Hij bleef maar vallen.

Zoals sommige mensen de sterke behoefte kennen om vallende herfstbladeren terug te plakken aan de boom, zo zou je Cowper willen terughechten aan zijn Schepper. Zijn dierbaren deden daar tot op het laatst hun radeloze, ontroerende best voor. Vergeefs. Net niet.

Maar, op dat allerlaatste kantelpunt in de tijd, zag een trouwe neef aan Cowpers sterfbed in de winterkou zomaar een knop openbreken: Cowpers gezicht. Er trok een lichtglans overheen waarin oneindige opluchting lag. De hand die hem weg had moeten duwen, hield hem vast.

Al bezwijken ook vlees, hart en psyche… nochtans. Nochtans.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Het leven is een treinreis

Nog een oude (vakantie)column….

Even voor zessen staan we bleekjes op het station. Zonder ontbijt, zonder mijn ochtendkoffie. Dat komt tijdens onze overstap op Arnhem wel, zegt het gezinshoofd. (tegen die tijd versta ik ‘koffie’ als iemand ‘koffer’ zegt).

De jongste (12) ziet tegen de reis op. Er is een reisschema, een reisdoel. Maar niets is zeker weten we sinds vorig jaar, toen we onze jongens diep in de nacht van een Frans stationnetje moesten halen. Dit jaar Interrailen we allemaal. Geen auto die ons redt, mochten we stranden. Treinliefde is een niet te doven vuur.

“Vanaf nu hoort alles erbij,” fluister ik de jongste in. “We kunnen er toch niks aan doen. Als je dat bedenkt is het minder erg.” Een treinreis moet je zien als een wild avontuur, een achtbaan voor de geest. Je valt, je zweeft.

We weten niet of er een Duitse conducteur met schlechte Laune zal zijn, die moeilijk doet over die roepnaam op je pas. We weten niet of de airco werkt, of er vrije stoelen zijn, dicht bij elkaar. Wie onze medereizigers zijn, hoe ze ruiken. Hoe oud het materieel is, of het er niet precies in een donkere tunnel mee ophoudt.

We komen schuin tegenover een uitbundige familie te zitten. Ze doen een spelletje en hebben zo onbekommerd plezier dat de hele coupé er vrolijk (en jaloers) van wordt. Later zitten we in een benauwde ruimte met ongemakkelijke klapstoeltjes, waar een oude dame hulpeloos op de grond belandt omdat haar stoeltje inklapt terwijl ze zich laat zakken. Vele handen helpen haar omhoog. Goedheid voor het oprapen, soms zie je daar juist tijdens (barre) treinreizen meer van dan ooit.

Een treinreis is als het leven zelf. Het hart van de mens overdenkt zijn reis(schema), maar zijn gangen worden bestuurd. De begrafenis van een geliefde collega zit nog vers in mijn geheugen. Ook op vakantie gegaan en niet meer thuisgekomen. Hier beneden althans niet. Ik luister het lied dat werd afgespeeld toen de kist werd binnengedragen, met daarachter de familie die van verdriet de ene voet nauwelijks voor de andere kreeg. “Turn your eyes upon Jesus, look full in His wonderful face, and the things of earth wil grow strangely dim…in the light of His glory and grace.”

Diezelfde smoorhete coupé, met groezelige ramen en verveelde mensen, maar nu met deze muziek eronder. Wat je onderweg leest of luistert, daar heb je als reiziger wél invloed op. Het kan zomaar de omstandigheden dimmen. Zodat je alleen nog maar het verlangde reisdoel ziet. Geen stad, geen aangenaam vakantieverblijf, maar dat wonderlijke, dierbare Gezicht dat ons alle misère van onderweg zal doen vergeten. 

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Zielige singles

Mijn column in het RD Magazine vandaag:

„En als ik de gave der onthouding nu gewoon niet heb?” zei ze. Ze vouwde haar benen over elkaar, zette haar vingertoppen tegen elkaar en keek me recht aan. Even daarvoor had ze zichzelf voorgesteld als „een van die zielige singles”. Vijfendertig jaar, en nog nooit een relatie gehad.

Ik vond haar bepaald niet zielig. Ik vond haar prachtig, innerlijk en uiterlijk. Ternauwernood wist ik een foute singleopmerking binnen te houden: „Maar je bent zo leuk!” (Lees: wel leuk, maar nog niet compleet.) Vooral haar recht-uit-het-harthouding beviel me, al voelde ik me ook machteloos. De kunst is altijd om gapende vragen niet dicht te willen smeren. „En de kerk maar jubelen over het huwelijk”, zei ze. „Die schone paradijsbloem en zo.”

Voor haar geen bloem, maar een knagende leegte. Ze zou een goeie voor de zending zijn, had een oom gezegd. (Waar zou de zending zijn zonder vrouwelijke singles?) En zo fijn wat ze allemaal voor haar bejaarde ouders kon doen. (Best makkelijk voor haar broers en zussen met drukke gezinnen.) „Palliatieve zorg”, noemde ze dit soort opmerkingen.

Toen ze weg was, zat ik lang naar de lege stoel tegenover me te staren. De gave der onthouding is geen geestelijke toverdrank, waardoor iemand plots immuun wordt voor elke (seksuele) begeerte. Het is simpelweg een status quo. Zolang je getrouwd bent, heb je de gave van de gemeenschap ontvangen. Zolang je single bent, de gave der onthouding. Het is meer opdracht dan geschenk.

Dus ook met de gave der onthouding kun je nog steeds één brok (fysiek) verlangen zijn. En je afvragen wat de zin daarvan is. Dat mensen daar snel doekjes om winden komt omdat iederéén het knap lastig vindt om met onvervulde verlangens te leven. We zoeken naarstig naar vervulling. Of we proberen die ‘zondige begeerten’ met wortel en tak uit te roeien.

De tragiek is dat we zo linksom of rechtsom dichtsmeren wat open zou moeten blijven. Honger vertelt ons dat er eten bestaat. Romantische (en seksuele) verlangens vertellen ons dat er ware liefde en eenwording is. Huwelijk en single zijn zijn slechts symbolen daarvan. Of we nu daadwerkelijk liefdesgeluk ervaren, of juist het tekort daaraan, de hunkering daarnaar – alles verwijst naar het bestaan van een ultieme Geliefde. „’t Is alles een gelijkenis/ van meer dan aards geheimenis.” (Jan Wit)

De ware zieligheid is deze: dat we aan de vooravond van een Bruiloft staan en ons daar niet mee bezighouden. Dat we wijs of dwaas, gehuwd of ongehuwd, massaal in slaap gesukkeld zijn.

„Laat dan mijn hart U toebehoren/ en laat mij door de wereld gaan/ met open ogen, open oren/ om al uw tekens te verstaan./ Dan is het aardse leven goed,/ omdat de hemel mij begroet.”

Geplaatst in Uncategorized | 8 reacties

Dat er vleugels zijn

Deze column schreef ik voor het Reformatorisch Dagblad van vandaag (themamagazine over de kerk), maar hij werd niet geplaatst.

Er was ruzie om een eigen school, mensen die niet meer met elkaar praatten. Door de gemeente waarin ik opgroeide trok een scheur. Als gezin gingen we een tijdje in een dorp verderop naar de kerk. Nadat de oude kerkenraad was afgezet en een nieuwe geïnstalleerd keerden we terug. Het fijne van dit conflict weet ik niet meer, wel dat ik als student hevig zat te knikken toen een predikant vanaf de kansel zei: “Waaruit kent gij uw ellende? Uit de kerkelijke vergaderingen.” In zwarte pakken had ik weinig vertrouwen meer.

De zoektocht naar een kleurrijker leven was maar amper begonnen of ik viel voor een nogal honkvaste jongeman uit de Gereformeerde Gemeenten. In onze brieven ving de kerkstrijd aan. In elk geval géén afgescheiden kerk meer, schreef ik. Maar Kampen dan, schreef hij. De knoop werd doorgehakt. Niet door een van ons. Het was nog net geen briefje uit de hemel, maar het zat er dichtbij. Daarom werd het Kampen. En is het nog steeds Kampen, tot op de huidige dag.

Een mooi rond verhaal zou het kunnen zijn: stilgezet, vastgegrepen en teruggebracht in de schoot van de kerk. Maar een eerlijk verhaal is het niet. Dat God je op een weg plaatst betekent niet dat die vrij van stenen is. Dat je je onderweg niet bezeren kan. Dat er geen honger is of dorst. Geen momenten meer waarop je je bevreemd afvraagt: wat doe ik hier? De meidagen kwamen waarop de jongeman naar Rotterdam toog en afgewezen werd door het curatorium, terwijl we heel zeker wisten dat hij geroepen was. ’s Ochtends had ik nog hoopvol zijn overhemd staan strijken en ’s avonds schreef ik in mijn dagboek: ik wil hier niks, niks, niks meer mee te maken hebben.

Terugbladerend in dat dagboek stuitte ik op een bladzijde van 24 jaar geleden. “6-2000. Vanavond had ds. R. deze tekst: ‘Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken; zo leidde hem de HEERE alleen, en er was geen vreemd god met hem.’ Deuteronomium 32:11-12. Zijn armgebaren blijven hangen in mijn hoofd.” Twee getekende vleugels omlijsten de korte aantekening. Een preek uit de opgebroken kerk van mijn jeugd, vlak voordat ik uitvloog.

Alleen al daarom zou een (jong) mens een dagboek moeten bijhouden. Om hem te herinneren aan wat hij geneigd is te vergeten. Dat de kerk zowel de plek is waar je krassen oploopt, als waar je getroost wordt. Dat er vleugels zijn. Dat er door de schijnbaar eenzame chaos van het leven een liefde en leiding is waar je niks, niks, niks van begrijpt.

Geplaatst in Uncategorized | 9 reacties

Christine en Gerjanne weten het (ook niet)

Sinds kort vormen Gerjanne van Lagen (@gerjanne_van_lagen) en ik een duo. Samen zijn we te boeken voor een interactieve lezing. Al is dat eigenlijk een te zwaar woord voor wat we werkelijk doen: gesprekken voeren aan een (denkbeeldige) keukentafel, over het leven. Onvoorbereid, ongemaskerd. Regelmatig onderbreken we onze gesprekken om iets uit de oude koffer te halen die we altijd meesjouwen. Dan spelen we even dat we iemand anders zijn.

Gisteravond kregen ruim 100 dames in Hardinxveld-Giessendam de primeur. Op weg daar naartoe kregen we van pure zenuwen de slappe lach (dat heb ik nu nooit als ik in m’n eentje naar een lezing rijd). Maar wat hebben we ervan genoten. Niet het minst van de ‘sketches’ tussendoor, met pruik en bril. Het was een programma waarbij ernst en luim elkaar afwisselden. (Met ernst waren de meeste luisteraars wel vertrouwd, wat luim is moesten we even uitleggen)

Wie dit ook weleens mee wil maken kan in elk geval nog terecht in Goes op 2 mei DV:

https://www.familyeventzeeland.nl/programma/gerjanne-en-christine-weten-het-ook-niet/

Of nodig ons zelf uit!

De voorwaarden staan hier: https://stamvangent.com/christine-en-gerjanne-weten-het-ook-niet/

Geplaatst in Uncategorized | 6 reacties

Een Stam is er (niet) thuis

column in het Reformatorisch Dagblad van 17 februari 2024

Dat ons woonhuis tevens museum is heb ik na bijna twintig jaar huwelijk wel geaccepteerd. Zolang ik opruimgoeroe Marie Kondo maar vermijd is dat best vol te houden.

Mijn echtvriend bewaart niet alleen wiskundeschriften van dertig jaar geleden, hij werpt zich ook op als conservator van alles wat een modern mens met een eenvoudige tussenwoning na verloop van tijd toch maar wegdoet. Zoals prekenbandjes, jaargangen van De Orgelvriend en Duitse commentaren die jaren stoer doch ongelezen op een boekenplank hebben gestaan. Mensen weten je op den duur te vinden. Telkens als er weer een nieuw tasje in de mancave staat gaat mijn hartslag een beetje omhoog. Maar wat begin je? Als vrouw kun je hoogstens de boel een beetje stofvrij houden.

De laatste tijd neemt de verzamelwoede wel wat dramatische vormen aan. In Kampen wordt het Poortkerkinterieur vernieuwd, een hard gelag voor mijn conservator. Hier staat hij machteloos bij. Maar op een dag schuift hij me bij thuiskomst met diepzinnige blik een plankje toe, met nog twee kromme spijkers erin: een ternauwernood gered vloerdeel. Voordat het een schrijn krijgt laat ik het zachtjes in de kachelhoutmand verdwijnen. Maar dit keer treuren we allemaal mee. Met een mengeling van vertedering en hartzeer bekijken we foto’s van onze oude kerkbanken met de rode kussens in een knus Roemeens kerkje. „Oooh”, kreunt er een, „in Roemenië krijgen ze al onze mooie spullen.”

Behalve het vloerdeel redden we nog een kerkbank en zelfs een onderdeel van de oude kansel, die het ook niet overleven mocht. Dat mag weer dienst doen. Hier wil ik niet te veel ruchtbaarheid aan geven, want straks staan de pelgrims rijendik op de stoep.

De troost in al deze teloorgang is dat we ’s zondags voorlopig naar de eeuwenoude Bovenkerk mogen. Die hoor je behaaglijk zuchten nu zij weer doen mag waarvoor ze bedoeld is. En eerlijk, ik stap gretiger naar de kerk. Gewoon vanwege de ramen, de lichtval, de luchters. De hervormde vibes, zoals onze kinderen zeggen. „Een vogel is er thuis”, schrijft Ria Borkent in haar Psalm 84. En ook: “Diep in mijn lijf is zo’n heimwee, zo’n blijvende schreeuw om de levende God.” Zelfs het steigerwerk in de zijbeuken sticht. De scheuren in de kerkmuren zijn ook schreeuwen. Net als de ongemakkelijke stoelen, de tocht, de winterkou. Je kruipt wat dichter tegen elkaar aan, je deelt je dekentje. Op een dag zullen we teruggaan naar een kerkzaal met moderne klapbanken, optimale klimaatbeheersing en gergem-vibes. Daar zien we nu al tegenop. Ik, conservator in woorden, tref hierbij voorbereidingen. Bij thuiskomst zal ik onszelf dit floddertje tekst toeschuiven.

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Stam plus thee

Ik moet nog aan het idee wennen, maar sinds 1 januari heb ik officieel een eigen bedrijf. Het was mijn streven om voor die tijd een nieuwe website te kunnen presenteren. Deze is inmiddels tien jaar oud en nogal aftands. Ik had het nog nooit gedaan, dus ik dacht dat ik het wel kon. Maar het valt me vies tegen, zelf een website bouwen die er in het echt precies zo uitziet als in mijn brein. Ik heb er trouwens ook te weinig tijd voor. Dus dat komt hopelijk nog.

Wat ik wel alvast kan presenteren is een nieuwe loot aan de Stam: de mogelijkheid om psychopastorale gesprekken bij mij te boeken. Coaching, zou ik ook kunnen zeggen, maar dat vind ik zo’n naar woord. Inmiddels alweer twee jaar geleden rondde ik de opleiding PPH (Psycho Pastorale Hulpverlening) af. Ik heb daar (behalve mezelf binnenstebuiten te keren) ook geleerd om professionele gesprekken te voeren, die verder gaan dan alleen een luisterend oor. We oefenden veel in de praktijk, met elkaar en met ‘echte’ pastoranten. Dit mis ik nog altijd. Incidenteel voer ik weleens een gesprek met iemand aan mijn keukentafel, maar het kwam er nooit van om dit officieel te gaan doen. Alleen een keukentafel is ook niet zo professioneel. Inmiddels beschik ik over een knusse eigen werkkamer, net buiten Kampen. Mijn enige uitzicht is een boom. Heel fijn.

Welkom om neer te zakken in een van de stoelen. Het is misschien goed om te zeggen dat ik geen therapeut ben. Ik kan geen professionele traumatherapie bieden, om maar wat te noemen. Ik kan je van koffie of thee voorzien. Ik kan luisteren naar welk probleem dan ook. Ik zal het niet oplossen, maar ik zal er open en eerlijk vanuit mijn hart op reageren. Ik heb door de ervaring heen veel geleerd over depressiviteit, emotionele verwaarlozing, hooggevoeligheid, homoseksualiteit, autisme. Dat zou je specialismen kunnen noemen. Tenslotte, het woord pastoraat is niet voor niets. Het christelijk geloof is belangrijk in de gesprekken. Het gebed ook.

Een beetje raar om het nu nog over geld te hebben. Dat vind ik dan ook ook het lastigste onderdeel. Maar ja, ik doe dit niet gratis. Een gesprek van een uur kost 60 euro (inclusief btw). Anderhalf uur: 75 euro. Ik werk op maandag, dinsdag en donderdag. Vraag je je af of ik iets voor je betekenen kan, mail dan naar stam-vangent@outlook.com.

Geplaatst in Uncategorized | 3 reacties

250 jaar genade

Ook schreef ik voor de oudejaarsbijlage van het Reformatorisch Dagblad een essay over het 250-jarig jubileum van ‘Amazing Grace’.

https://www.rd.nl/artikel/1047082-genade-brengt-mij-thuis-250-jaar-amazing-grace

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Die ik verliezen zal

Met enige vertraging hierbij nog mijn adventscolumn in het Reformatorisch Dagblad van 24 december 2023:

„Mijn moeder wilde me niet. Maar ze wilde me ook niet afstaan omdat ze er kinderbijslag voor kreeg.” Het zouden de beginzinnen van een roman kunnen zijn. Een uiterst treurige roman over een ongewenst kind, een meisje dat op haar elfde al aan mannen wordt gegeven. Nu al zullen er lezers zijn die deze roman niet willen lezen.

Maar het is geen roman. Het meisje is een oude vrouw met een verkreukeld gezicht en een grijze vlecht en een sigaret in haar magere, omzwachtelde hand: Suzannah. „Ik was zwanger. Ik baarde een kind. Mijn moeder pakte het kind en gooide het in een put”, vertelt ze in de documentaire ”Het wonder van Oirsbeek”. Suzannah woont met haar man Leon in een huurhuisje stampvol Christus- en Mariabeelden. Het wonder is dat die beelden soms spontaan gaan huilen – bloedtranen. Waarom ik hiernaar keek weet ik niet precies, want niet alleen als protestant, maar ook als weldenkend mens heb je een paar innerlijke hobbels te nemen. De suikerzoete, met bloed bedropen beelden, Leon die achter zijn typemachine woorden vastlegt die Maria aan Suzannah doorgeeft terwijl de sigarettenrook om hen heen kringelt. Een zonderling stel, nogal van het padje.

Maar als Suzannah vertelt hoe haar eerste man haar hoogzwanger kwam ophalen uit een blijf-van-mijn-lijfhuis, hoe hij haar thuisgekomen de stenen trap afschopte en aan haar haren weer naar boven sleepte, en dat ze toen naar het ziekenhuis moest en een misvormd meisje baarde dat nog een uur geleefd heeft –Evelien– kun je je voorstellen dat juist in dit huis iets gaat huilen om alle ellende van de wereld, want je doet het zelf ook. En je begrijpt waarom Suzannah zo veel met Maria heeft, waarom ze haar letterlijk dicht bij zich houdt. Maria was vertrouwd met schande. (Zou ik haar geloofd hebben als ze bij mij op de stoep stond?) Maria verloor haar Kind ook op een verschrikkelijke manier. „Hij is van mij, maar is de mijne niet/ Zoveel oneindig groter nog is deze die in mij is/ Die ik verliezen zal” (uit het prachtige gedicht ”Maria” van Rikkert Zuiderveld).

Kerstdagen kunnen moeilijk zijn voor Suzannahs. Voor mensen met pijn, voor mensen die iemand verloren, aan de dood of aan het leven, voor mensen die littekens dragen. Maar als je Kerst kaalplukt als een kalkoen, als je alle kitsch, lichtjes, versjes, etentjes, cadeautjes weghaalt, houd je een verhaal over. Een oud verhaal vol tranen. De waarheid ervan wordt alom in twijfel getrokken, maar we zijn niet gek. Maria’s tranen waren echt. Haar Kind stierf echt. Hij stond weer op. En Hij komt terug, wie weet hoe snel al. Laten we de lofzang zingen.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie