In memoriam: Elisabeth Elliot 1926-2015

Elisabeth_Elliot2

“We rejoice for Elisabeth that she is home with her Lord as of 6:15 am, June 15, 2015.”

Vanaf mijn studententijd heb ik veel van haar gelezen, en herlezen. Er was een tijd dat ik dagelijks de daily devotionals las op haar persoonlijke website (helaas is die service al een tijdje unavailable). Korte stukjes, maar werkelijk van dag tot dag vol betekenis voor me. Daarom was het ontroerend om te vernemen dat ze is overleden, en nog ontroerender om dat verwoord te zien zoals in bovenstaande mededeling van Lars Gren, de (derde) echtgenoot van Elisabeth Elliot – zendelinge, en volgens de media een van de invloedrijkste christenvrouwen uit de 20e eeuw.

Ik weet niet of ze dat zelf zo gezegd zou hebben. Eenmaal werd haar door een enthousiaste interviewster gevraagd: “Who’s the real Elisabeth Elliot?” (“Wie is de echte Elisabeth Elliot?”). Antwoord: ““I don’t know, and may God keep me from ever finding out.” (“Ik weet het niet, en God beware me ervoor dat ik er ooit achter zou komen”). Dat vond ik een even verfrissend als geestelijk antwoord. Die totale overgave van haar ‘zelf’ aan God, het erkennen van Christus als Koning op werkelijk alle terreinen van haar leven, en het inzetten van haar schrijfgaven voor dat ene doel, maken haar tot een onvergetelijke getuige uit de grote wolk. (Hebr. 12) En tot een van de invloedrijkste vrouwen van mijn gedachtenleven.

The secret is Christ in me, not me in a different set of circumstances.”

I realized that the deepest spiritual lessons are not learned by His letting us have our way in the end, but by His making us wait, bearing with us in love and patience until we are able to honestly to pray what He taught His disciples to pray: Thy will be done.

Ik hoop dat haar sterven de aanleiding zal zijn tot heruitgave van haar boeken. Bijna twee jaar geleden schreef ik deze column over Elliot:

Zwijgen

Misschien is het niets buitengewoons. Maar als ik auteurs eenmaal heb zien en horen spreken, kan ik geen boek van hen meer openslaan zonder dat hun stem het mij in gedachten voorleest. Judith Koelemeijer bijvoorbeeld. Recent verscheen haar persoonlijke boek “Hemelvaart”,  over een verongelukte vriendin. Eerder las ik ‘Het zwijgen van Maria Zachea’, over haar oma die bij het ouder worden in stilzwijgen verviel. Het wordt – in Judiths gearticuleerde zinnen – verteld als een roman. Koelemeijer heeft nooit overwogen om van de ‘intrigerende’ werkelijkheid af te wijken, want daar “valt niet tegenop te verzinnen.” Zou het? Afgelopen zomer verdiepte ik mij in de levensgeschiedenis van Elisabeth Elliot. Ook zij dicteert mij haar wijze woorden sinds ik haar zag op een video: een breekbare vrouw met een lage, beschaafde stem. Ze vertelt daar hoe ze op een avond wandelde met haar latere echtgenoot,  Jim Elliot. Ze rustten uit op een begraafplaats. De maan scheen, en plotseling zag ze hoe de schaduw van een stenen kruis precies tussen hen in viel. Na een minutenlange stilte gaat Elisabeth zichtbaar ontroerd verder: “…Ik deed toen wat ik na zoveel jaren opnieuw doe: ik zweeg en kon niet spreken.” Jim komt in 1956 om, als hij samen met vier andere zendelingen probeert een uiterst gewelddadige Indianenstam te bereiken. Ze krijgen een speer in hun borst. Vijf kruisen in de jungle en een oude zwartwit-foto met vijf sprakeloos bij elkaar zittende weduwen maken het verhaal af. Later gaat Elisabeth alsnog bij diezelfde Indianen wonen, die hun fout inzien en zich bekeren tot het christendom. Nog geen tien jaar later wordt de zoon van een zendeling gedoopt door een van de moordenaars van zijn vader. Ze schreef het allemaal op, zonder iets te hoeven verzinnen. En ze blééf schrijven; het bloed der martelaren bleek de onstuitbare inkt van haar pen te zijn. Nu heeft ouderdom haar tot zwijgen gebracht. Het is jammer dat veel van haar werk óf niet vertaald, óf niet meer verkrijgbaar is. Ik heb veel aan deze Amerikaanse te danken; ook dat verzin ik niet. Onbewust brengt ze in praktijk wat ze zelf  ‘spiritual motherhood’ noemde, geestelijk moederschap. Elliots stukken over leiding, lijden, eenzaamheid, hoop, liefde, dood, huwelijk en moederschap heb ik vaak herlezen. Ze schrijft niet populair, maar nuchter en geestelijk, haar betogen altijd ondersteunend met bijbelcitaten. Meer nog dan haar stem, blijft me haar spreekpauze op die video bij. Pas als je iemands spreken kent, kun je ook zijn stiltes verstaan. Daardoor meen ik te weten wat het zwijgen van Elisabeth Elliot zegt: “Liefde overleeft alles. Het is, in feite, datgene wat blijft als al het andere ons is ontvallen.” Liefde: slagschaduw van het kruis. Dat laat alle kunstig verdichte fabelen ver achter zich.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Van louter twijfel geloven

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 6 juni:

2005-04-19a

Tien jaar geleden. Samen met een meisje van amper 1000 gram wordt een ouderpaar geboren, dat op de tast aan een wonderlijke taak begint: het liefhebben van een wezentje met een huid als een vlindervleugel, een ademhaling zo licht dat je er voel-luisterend je lippen voor moet houden. In een ziekenhuisbed de tijd verbeidend dat je haar weer mag zien, bid je zonder ophouden: mag ze leven, mag ze vandaag een paar gram groeien. En de wonderen gebeuren: ze drinkt zelf uit het slangetje langs je vinger, ze krijgt wangetjes, ze mag in de wieg; geen gedoe meer met draden en plakkers. Geen hersenbloedingen, geen beschadigingen. De lofzang is in stilheid tot U, o God.

Een glazen wiegje verder op neonatologie. Op een dag is het leeg, de doeken liggen opgevouwen aan het hoofdeinde. Ze hebben vertrouwen gehad, gepleit op beloftes, veel en vurig gebeden. Maar het bleef doodstil. „We moesten de strijd verliezen.”

Er is een tijd om op te springen en een tijd om te kermen. Die tijden zijn in Zijn hand. Maar wat de één vervult met dankbaarheid, is voor de ander het pijnlijk raadsel van zijn leven. In een Amerikaanse kerk klonk een luid ”Prijs de Heer” bij de mededeling dat een peuter gered was uit het water. Op dat moment ging een ouderpaar in diezelfde gemeente door de grond; hun kindje overleefde het privézwembad niet.

Philip Yancey (Amerikaans christenauteur) schreef een uiterst pastoraal boek over dit soort tegenstellingen. Als een colporteur draag ik het in mijn tas, om ermee voor de dag te komen wanneer ik denk dat het past. Niet iedereen zal zomaar erkennen ”Teleurgesteld in God” te zijn. Dat komt ons net zo ongemakkelijk uit de mond als een luide lofprijzing. Maar zo kan het wel liggen. En dat mag (moet?) ook. Want als het geloof als een hulpeloze baby „ligt te schreien in de wereldnacht: is er dan geen God?” (A. A. van Ruler), als de ademhaling van de hoop stopt, is er niets meer. Óf alles.

Zoals de ene mens gescheiden kan zijn van de andere door bergen van twijfel, onbegrip en verwarring, en toch ontdekt niet te kunnen ophouden met liefhebben, zo kan uit de ashoop van geloven en hopen de liefde oprijzen die God liefheeft om Zichzelf, niet om wat Hij geeft. Een geluk dat zich loszingt van de omstandigheden.

Niet wat er gebeurt, hoe wonderbaarlijk of traumatisch ook, maar onze reactie daarop beslist de strijd, ontdekte Yancey in het Bijbelboek Job. Dáár zien de complete engelen- en duivelenwereld met ingehouden adem op toe. Toen de oud-zendelinge Elisabeth Elliot –keer op keer gebroken in eigen verwachtingen en steunsels– gevraagd werd alles op te noemen wat God haar had geleerd, zei ze eenvoudig: „Trust Me.” (vertrouw op Mij) Van Ruler noemde dat: van louter twijfel gaan geloven.

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties

Het uur van de engel – citaat

“In de stilte bekijken ze de verre kegel van de berg, trillend in de wazigheid aan de horizon, in het licht van de zon die nu langzaam begint te zakken. De namen komen hem nog bekend voor, Horeb, Karmel en Wonderkop als onderling uitwisselbare gegevens.

‘Denkt u dan dat het een godsdienstige manie of obsessie was?’ wil hij weten, en vraagt zich te laat af of zijn metgezel zijn terminologie wel begrijpt. ‘Ik bedoel, was het een soort stoornis, die in dit geval een godsdienstige vorm had aangenomen?’

‘Ik weet niet of die man per se ziek geweest hoeft te zijn, als u daar soms op doelt,’ zegt de jonge man. ‘Hij had iets beleefd, zoals u zelf vertelde, en dat kwam voor hem tot uiting op een manier die hij zou kunnen begrijpen, in de vorm van een engel, bijvoorbeeld.’

‘Bedoelt u dan dat hij die engelen echt heeft gezien en die stemmen echt heeft gehoord?’

De jonge man lacht weer en kijkt weg, afwerend, terwijl hij met zijn laars tegen een steen schopt. ‘Hoe moet ik dat weten?’ vraagt hij dan. ‘Als we bij hem waren geweest toen de engel aan hem verscheen, hadden we misschien niets gezien, maar het visioen was per slot van rekening voor hem bedoeld, niet voor ons. Als het voor ons bedoeld was geweest, zou het er anders uit hebben gezien, zodat we het hadden kunnen begrijpen.'”

“Het uur van de engel”, p.97

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Het uur van de engel

schoeman

Een van de mooiste boeken die ik ooit gelezen heb: “Het uur van de engel” van Karel Schoeman. Hieronder de recensie, zoals die vandaag in het Reformatorisch Dagblad stond:

Zwijgend en verwonderd observeren

Ergens valt een scheiding tussen lezers en lezers. Sommige boeken maken die opvallend helder. Wie romans van de Zuidafrikaan Karel Schoeman leest  – en al spoedig weer weglegt, of dat juist niet meer kan – weet iets meer over zichzelf.

“Dit leven” (2014) voert de lezer tweehonderd pagina’s lang mee in de aarzelende, haperende herinneringen van een oude vrouw die haar leven lang op dezelfde schapenboerderij woonde. Er gebeurt gewoon niets, klagen plotjagers. Geeft niets, jubelen taalgenieters. Schoeman heeft het zo mooi weten op te schrijven dat het een verhaal is geworden ‘van bijna hypnotische kracht dat de lezer binnentrekt in dit leven.’ Bepaalde lezers dan. Die in ‘Het uur van de engel’ – de volgende, tweemaal zo dikke roman van Schoeman die uitgeverij Brevier liet vertalen – dus dubbel op de proef worden gesteld.

De negentiende-eeuwse schaapherder Daniël Josias Steenkamp kreeg visioenen en zag engelen op zijn pad. Daar zong hij zelfgemaakte liederen over, zodat ze hem Danie Versies gingen noemen wat soms verachting, soms respect inhield. Steenkamps leven was kort. Maar zijn verzen overleefden. Zo’n boeiende hoofdpersoon trekt. Gretig sluit je je aan bij de mannen die in dit boek ieder hun eigen zoektocht naar hem ondernemen: Nico Breedt, een TV-producent, Jodocus de Lange (“meneer Jood”), een dichtende onderwijzer en Gottlob Deodatus (“Japie”) Heyns, V.D.M. Van deze eerwaarde komt het nogal mechanische verslag waarmee het boek na een korte proloog begint, en dat zo precies mogelijk probeert te beschrijven wat Steenkamp gezien heeft (de engel bezette “een plaats in de lucht van ongeveer drie duim boven een doornstruik”) en wat getuigen er over te zeggen hadden.

Dat is immers wat iedereen, inclusief de lezer, verlangt te weten: heeft Steenkamp nou echt wat gezien of niet? Was het een stoornis, een godsdienstige obsessie? Hoe meer concrete details, hoe sneller we onze conclusies kunnen trekken. Dat weet Schoeman natuurlijk. Ook dat zo’n ‘politieverslag’ uiteindelijk hoogst onbevredigend is. Maar hij wil het verlangen op de proef stellen. Daarom bouwt hij zijn verhaal heel langzaam op, eerst laat hij lezers ruiken, proeven, ademen in het Afrikaanse landschap dat hij als decor heeft gekozen. Rondom hen weeft hij een web van natuurmystiek en onderhuidse emoties. En heel lang laat hij Steenkamp zelve in de mist, zijn engelen al helemaal.

Breedt, de eerste met wie we op pad gaan, zoekt materiaal voor een film over Steenkamp, maar vindt niets spannends. ‘Mensen houden er niet van om lang te moeten kijken,’ zegt hij tegen de behulpzame mevrouw Duifie die het plaatselijke museum beheert. ‘Ze raken heel gauw verveeld, maar een paar seconden en dan hebben ze al geen zin meer om zich te concentreren en op te nemen wat je ze laat zien.’ Verdedigt de auteur hier op voorhand zijn eigen schrijven? Is dit kritiek op de film- en televisiecultuur en een pleidooi voor het langzame boek? Het zou allemaal kunnen. Hoe meer je graaft in Schoemans betoverende proza, hoe meer lagen je aantreft. Wat gelaagdheid betreft, overtreft ‘Het uur van de engel’ ‘Dit leven’. Dat heeft vooral te maken met de knappe opbouw. De ‘stemmen’ die aan het woord komen, vertellen veel maar niet alles. Dat vult een andere stem aan – soms eerder, soms later – waardoor puzzelstukjes heel langzaam en geruisloos vallen, als sneeuwvlokken, als dauw op een mostapijt dat steeds meer kleurschakeringen krijgt.

Je voelt Jood worstelen met zijn geaardheid, zichzelf overeind houdend met de levenstaak een echt Afrikaanse dichter aan de vergetelheid te ontrukken. Hij wil dat vooral beter doen dan dominee Heyns, die volgens hem “een en al minzaamheid, welwillendheid en vrome oogkleppen” is. Diezelfde Heyns blijkt in zijn eigen stem dan weer een zeer innemend mens te zijn, worstelend met zijn zinnelijkheid, drijvend op zijn roeping na een Godservaring onder de lichtlaaiende kroon van een eikenboom, en steeds opnieuw gedeukt in de confrontatie met “verjaarde grieven en gefnuikte ambities” binnen het dorp. Heyns durft de vraag aan, zonder er met iemand over te kunnen spreken: “Waarom niet ook hier een engel of een stem, waarom dat niet evengoed als de zon door het licht van de bladeren, ’s morgens in de vroegte?”

Eindelijk komt het verslag van Steenkamp zelf, puur en zuiver in de overgave aan zijn Heer. Hij preekte voor “de zachtmoedigen en nederigen van hart”. En zo moet hij zelf geweest zijn, luisterend naar de fluisterstem van deze roman als geheel. Het wordt bevestigd door Steenkamps zus, die aan het einde van het boek nog een ‘vrouwenstem’ krijgt toebedeeld. Danie zweeg er zelf over, maar hij heeft onrecht en geweld geleden. De parallellen die Steenkamp oproept met zowel Samuël, David en Jesaja en (en niet het minst Jezus Zelf) maken de vraag naar de echtheid van zijn ervaringen gaandeweg onbelangrijk.

Een roman die aan een puur materialistisch wereldbeeld morrelt, is waardevol. Als zo’n boek ook nog eens het systeem dat alles psychologisch weg verklaart laat wankelen, hou je de adem in. Maar het meest grootse aan ‘Het uur van de engel’ – dat allesbehalve ‘bekerend’ geschreven is – is die mild dwingende vraag: durven we ons over te geven aan een mysterie?

Wat Nico Breedt, die niks vindt in dat dorp en er toch blijft hangen ten diepste drijft, wat hem trekt in die wankele verzen van twijfelachtig niveau (die bovendien meermalen overgeschreven en bijgeschaafd zijn), is het verlangen naar een eigen ‘engel’, een persoonlijke Godservaring in een verder troosteloos bestaan.

Misschien is het dát verlangen dat ook lezers naar het einde van dit boek drijft, waar de zoektocht naar Steenkamps waarheid een vraag naar waarheid in het binnenste blijkt te zijn. Daar valt de échte scheiding, helder en overrompelend als de verschijning van de engel zelf. “Het lege landschap, dood en uitgebeten in de winter, is plotseling verheerlijkt en de leegheid is uitgebot en tot bloei gekomen. Begrip is niet mogelijk: wie met het visioen wordt geconfronteerd, kan slechts zwijgend en verwonderd observeren, registreren en aanvaarden, roerloos op de plaats waar hij staat.”

N.a.v. “Het uur van de engel”; Karel Schoeman; uitg. Brevier, Kampen, 2015; ISBN 9789491583506; 400 blz.; € 24,95

Geplaatst in Uncategorized | 7 reacties

Struikelstenen

De RD-column van vandaag: “Struikelstenen”.

20150425_120616

L. gaat naar les, de cello op haar smalle rug. Ze vindt me zo gauw niet, ze is ook nauwelijks wendbaar met dat plompe ding. „Geef jij mama een kusje van me”, draagt ze haar broer op, „want ik moet nu gaan.” Gelijk heb je, lieve. Nooit weggaan zonder afscheid te nemen. „Wie weet, hoe ver, in leed en pijn/ wij zullen hebben rondgezworven/ voordat wij weer tezamen zijn.” (Jacques Presser, september 1943)

Daar gaat ze, met kleine zachtmoedige passen. Ze ontwijkt iets blinkends. „Heb jij ’em gepoetst?” vraag ik mijn man. „Nee, ik dacht dat jij…” In de stoep ligt, iets verhoogd, een kleine steen. Gemaakt van messing, dat nu glimt als goud. Gepoetst, maar niet door ons.

Ik voel iets van schaamte. De vorige bewoonster had het nog voor ons opgeschreven, in haar prachtige oude handschrift: de steen poetsen. Natuurlijk, zullen we doen. Ik had het in elk geval vóór 4 mei… Hoe kan dit? Een paar van die dagjesdames-opleeftijd met een flesje koperpoets in hun rugzak? De steen glimt en zwijgt. De lucht erboven is helderder dan ooit. Hollands licht over de stad.

Stolpersteine (”struikelstenen”) vind je niet alleen in Kampen. Een Duitse kunstenaar maakt deze gedenktekens en plaatst ze in het trottoir voor de huizen waarin mensen woonden die door de nazi’s zijn verdreven, gedeporteerd of vermoord. Zijn bedoeling: voeten die stilhouden, een hoofd dat buigt en leest, een hart dat struikelt en herdenkt. Daarom moeten we blijven poetsen.

Wij hebben niet alleen een steen, maar een heel huis om over te struikelen. In de poriën van onze kamers leeft een verhaal. Ooit woonde hier de Jood Ruben van Boele. Geboren te Kampen in 1897, getrouwd in 1927 met Marie Vermeulen, gedood in Auschwitz op 30 november 1942, 45 jaar oud. Ru was handelsreiziger, met een fabriek aan de IJsselkade. En hij speelde cello.

Ru en Marie waren kinderloos. In december 1950 pas kreeg Marie (die niet Joods was) het officiële Rode Kruisbericht van Ru’s overlijden. Acht jaar wachten op duidelijkheid. De hoop op hereniging nooit helemaal dood. Hoe vaak heeft ze in de erker gestaan, de hele straat afgezien, en gedacht: „Zou hij daar…?” Maar dan: alleen over in dit grote huis. Niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.

Wat er was, zal er opnieuw zijn. Oorlog is geen lelijke vertekening, het is een heldere spiegel. Alles wat je zo bitter, bitter liefhebt, kun je verliezen. Een huis, een mens, een leven. Ze struikelden over Hem, Steen des aanstoots. En „Gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.” Maar hoor! Straks vangt mijn beiaardier te spelen aan. Valerius: „Wij slaan het oog tot U omhoog.”

Geplaatst in Uncategorized | 9 reacties

Die uur van die engel

De wereld is weer vol mooie en interessante boeken. Op mijn nachtkastje ligt de nederlandse vertaling van “Lila”. Die haalt het niet bij de ongekende taalweelde van Marilynne Robinson zelf, maar toch: knap gedaan. En ik zie nog meer in het boek dan ik al deed, nu ik alles snap wat er staat. Lila is heerlijk gezelschap, en ook in haar degelijke, hollandzwarte vermomming zal ik haar (en hem) missen als ze me weer verlaat.

Maar voor Robinsonliefhebbers (die vaak ook Schoemanliefhebbers plegen te zijn) is er nieuwe troost: sinds een paar dagen is “Het uur van de engel” beschikbaar, het tweede boek van Karel Schoeman dat uitgeverij Brevier in vertaling uitgeeft. Een roman met een nogal intrigerend thema. Ik hoop dit boek binnenkort te bespreken voor het Reformatorisch Dagblad; de recensie zal dan ook wel op dit blog verschijnen.

schoeman

“Het verleden is een ander land. Wie kent het pad erheen?”

Drie personen raken om geheel verschillende redenen geïnteresseerd in het leven en werk van de negentiende-eeuwse Daniel Steenkamp. Deze schaapherder beweerde dat hem een engel verschenen was en hij verwoordde die ervaring in gedichten.
Een TV producent ziet in hem materiaal voor een interessante documentaire. Een schrijver ziet hem als de eerste Afrikaanse dichter. Een predikant denkt in hem een voorbeeld van innige vroomheid te hebben. Maar geen van allen krijgen ze werkelijk grip op het leven en de persoon van de herder.

Opnieuw een fascinerend verhaal over eenzame mensen in een kleine Afrikaanse gemeenschap.”

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

De Hovenier

20150407_132208

Zelfs binnen bloeit de magnolia. De maand is om. Het is alles gedaan: van het ene huis naar het andere. Het poëtische daarvan heb ik al in mijn laatste column neergelegd. Wat er verder tussenligt – in ieder geval een hele berg oud papier en ander huisvuil – dat is het oude dat voorbijgegaan is. Tijd voor het nieuwe, en een nieuw blog.

Misschien komt het doordat drie van de vier kinderen Stam in het voorjaar geboren zijn, maar ik vind een verhuizing belachelijk veel op een bevalling lijken. Je moet door iets heen dat je niet kunt overzien. Iets dat op zichzelf niet zo fijn is. Dan volgt er een ‘geboorte’: het grote is geschied. Vreugde. Maar ook: vermoeidheid, slapeloosheid, ontregeling. Pogingen om je ritme en alle leden van het gezin weer bij elkaar te rapen. En, op de gekste momenten, ‘kraambezoek’.

Ondertussen wordt het buiten stiekem voorjaar. Daar heb je lang geen oog voor (over). Maar ‘ baby’ of niet, ten langen leste gun je jezelf weer even een zonhalfuurtje, en ineens: zie! Het is er weer: de geuren, een waaier van heldere kleuren, het intense groen.

Dat het dan ook nog eens Pasen is, legt zo’n beleving wel onder een vergrootglas. We aten zondag buiten, in de grote zonovergoten universiteitstuin achter ons huis, die we zomaar lenen mogen. Waar alles met wilde bewegingen aan het uitlopen is, en twee citroenvlinders om onze hoofden fladderden.

Ik denk dat het hier begon, het denken aan de paasgedichten van Ida Gerhardt. Dit is de dag waarop de arbeid rust. De handpalm is geopend naar het licht.

Gisteren gunden we ons zelfs een fietstochtje, over Kampereiland. Dat is wel geen Zalk, zoals in Ida’s gedicht, maar je hebt er dezelfde IJsselse Voermanluchten. En een zondags getooid kindje dat je stralend aankijkt.

20150406_163502

’s Avonds zocht ik haar andere Paasgedicht op, met het bijbehorende schilderij van Rembrandt.

CHRISTUS ALS HOVENIER

Zij dacht dat het de hovenier was. Joh. 20:15

Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was de hovenier.

En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en – wat terzijde – in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.

O kinderdroom van groen en goud —
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.

Hij is de hovenier.

Ik dacht erover na wat het precies geweest moet zijn, die kinderdroom die niemand haar kon ontnemen. Dit moet het geweest zijn: het horen noemen van haar naam, door Hem. Het zich kunnen identificeren met die éne, zij die dacht als ik. Het gedicht is een geloofservaring. Als Hij nog steeds de Hovenier is, is Gerhardt zoveel jaren later nog steeds Maria Magdalena. Met alle gevoelens en verlangens die daarbij horen.

Zeven maal om de aarde gaan,

als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan –
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

noli-me-tangere-1442

Zie hoe Fra Angelico hier de schop van de ‘Hovenier’ kunstig verstopt heeft achter Zijn halo…

Geplaatst in Uncategorized | 3 reacties

REFOMEISJES

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van vandaag:

Refomeisjes

Binnen een maand verhuizen, is de vette kop boven mijn leven. Dat ik desondanks de boekwinkel binnenloop, vind de verkoper pas écht waanzin. Wanneer dacht ik dat boekenweekgeschenk te gaan lezen? Nou, zodra ik mijn draai weer gevonden heb. Als vindersloon.

En nog een column schrijven ook? Deernis in zijn ogen. Maar verhuizen heeft behalve een zeer praktische ook een poëtische kant. Sterker nog: wat er werkelijk toe doet in het leven, staat nooit in vette koppen te lezen. Het gebeurt terzijde; in voetnoten en witregels. Laat het gezien worden, laat het niet onopgemerkt blijven. Laat het toch vooral niet onopgeschreven blijven.

Wie verhuist – ik zie het maar als een voorjaarsschoonmaak in groot formaat  – laat de geschiedenis letterlijk door zijn handen gaan. Brieven, geschenken, dromen, romances, teleurstellingen. En terwijl ik in alle rust een muur sausde, gingen mijn gedachten op stap. Was het de kleur van de verf, de geur van het kamertje, het milde avondlicht? Onverhoeds was ik terug in het catechisatielokaaltje van vroeger, waar ik samen met een ander refomeisje – ook niet geheel vrij van feministische gevoelens – de achterste stoelen aan de jongenskant bezette. Het werd stilzwijgend getolereerd. Sommige revoluties maken niet veel geluid.

Wij schreven elkaar bijna onophoudelijk, dus ook als we pal naast elkaar zaten. Achterin mijn rode aantekeningenboek staat al de pathetiek van ons veertienjarig leven uitgeschreven. Haar handschrift wisselt het mijne af. Dit schrift verhuist mee, mogelijk is het zelfs een collectorsitem aan het worden –  refomeisje heeft inmiddels een paar stevige romans op haar naam staan. We wilden daar eigenlijk niet zitten, we vulden fantaserend de tijd. Maar van lieverlee hield iets ons in de greep, en dat was de ouderling die kwam catechiseren.

Jaren heb ik er niet aan gedacht, maar ineens – alsof hij op de pasgeverfde wand verscheen – hoorde ik de zin weer die hij meer dan eens citeerde: ‘Voor één kus van Jezus’ mond, geef ik al die zwarte grond.’ Nu neemt ons nieuwe pand meer lucht dan grond in beslag, maar de boodschap was helder. Even helder als het toen voor ons was, dat ouderling méénde wat hij zei.

Deze man deed iets wat niemand zag, hijzelf nog het minst. Hij gaf een refomeisje dat ene inzicht mee dat gemeenschap met Christus het kostbaarste bezit is dat een mens kan hebben, zelfs al heeft het de vorm van een onvervuld verlangen.

Woorden zijn zaden. Ze kunnen lang in de (vervuilde) grond liggen sterven. Je kunt ervan vinden wat je wilt, maar ongestoord wachten ze de dagen van hun openvouwen af. Precies op tijd komen ze op en je ziet ze, je proeft ze, je ruikt ze. Het hele huis raakt vervuld van de geur.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Die wêreldjie wat ek bewoon

Ik loop achter. Dat geldt niet alleen de berg strijkgoed die ‘moedeloos oor ’n stoelrug hang’, of de weekplanner, die nog op vorige week staat en kreten oplevert als: “Jippie, mam, komt M. deze week alwéér?”. Het hele huishouden bestaat de laatste tijd uit ‘gebare sonder afloop of aanvang’ want – de achterliggende gedachte ontmaskerend – we gaan tóch verhuizen. Alsof je dan een maand lang je keukenvloer niet meer hoeft te boenen, of bedden verschonen.

Maar verhuismatig de hand aan de ploeg slaan, en vast iets in dozen gaan stoppen, is er ook niet echt bij. Want de papierwinkel is officieel nog niet rond, het wachten is op de laatste goedkeuring. En voor mijn idee mag je dan ook nog geen officiële verhuiswoede tonen. Behalve dan dat we een avond lang, bij alles wat er al te denken valt, onze hersens braken over welke boeken wegdoen en welke niet. Je boekenkast door je handen laten gaan: best confronterend en gedachten binnen in je vermenigvuldigend.

Momenteel probeer ik met een aantal kinderverhalen alvast een behangetje bij elkaar te schrijven, en alle klussen te klaren die niks met het aanstaande grote Klussen te maken hebben. Dat heeft omgekeerd natuurlijk wel z’n prijs. Als u een jongetje op straat tegenkomt met nog maar één knoop aan z’n jas, dan is het er een van mij.

Wat hebben we toch jarenlang een onbezorgde huurdersjeugd gehad, zeiden we pas tegen elkaar. Onverhoeds passeerden we de drempel der volwassenheid, en zijn mensen-met-een-hypotheek geworden. Van zo’n ontwikkelingssprong mag je best een beetje uit je doen zijn.

Eigenlijk moet ik daarover schrijven, denk ik dan. Maar het blog loopt ook al achter (eerst die knopen aanzetten). Ik liep met blogplannen voor een gedicht, in de week van de poëzie met het thema liefde. Te laat.

En ik wilde iets schrijven over Elisabeth Eybers, de zuidafrikaanse dichter die dit jaar honderd geworden zou zijn. Het Reformatorisch Dagblad wijdde er een mooi artikel aan: www.refdag.nl/boeken/hechting_en_onthechting_1_889157

Voor vandaag leen ik dan maar wat woorden van haar, die haar hele leven in poëzie vatte.

“Liewe leser: Ja, ek weet hoe ek-sentries vertoon my tuisgemaakte heelal, die wêreldjie wat ek bewoon, my drang om dit steeds uit te stal op so ’n eenpersoonskaal – maar miskien kan jy iets van jouself daarin sien?”

De gedichten zijn vrij klassiek van vorm, zodat je vooral op het zuidafrikaans moet puzzelen, maar toch origineel, soms humoristisch en altijd zonder een zweem van pathetiek. Ze wist alle emoties en aanverwante stadia van het leven te verwoorden: verliefdheid, huwelijk, zwangerschap, dichterschap, verhuizing en ontheemding, herinneringen, het loslaten en sterven van een zielsgeliefde, opstanding en vruchtdragen, en tenslotte ook de neergang van de ouderdom, die voor haar nogal eens samen viel met hoofdpijn en slapeloosheid. En teruggetrokkenheid. Misschien omdat ze voor al haar gedachten geen Adres (meer) had?

Ik probeer hier maandelijks een gedicht van haar te plaatsen, te beginnen met een vroeg (zwangerschaps)sonnet. Wie weet ga ik voor de volgende keer op zoek naar een verhuisgedicht.

Nou het ek jou reesds aarselend lief soos mens
die onvoltooide dinge sku bemin;
jy is nog niks as droom, ekstase, wens,
’n lied wat ek nie duidelik kan versin.

Ek ken jou nie en kan jou skaars vermoed
maar dieper as die hamer van my hart
wentel jou ongeduld; ons deel één bloed
en, vreemd verenig, bly ons to apart.

Wat sal díe dwase liefde later baat
as ek jou ken en tog nie langer het,
nie langer kan beskut teen alle kwaad
en alle teerheid langsaamaan verdwyn?

Die worsteling wat jou moet verlos is net
die aanvang van die skeiding en die pyn.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Een sterke vrouw

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van vandaag:

Een sterke vrouw

In de oude vertaling wordt ze ‘deugdelijk’ genoemd, midden in een lange lijst met – naar mijn beleving – afvinkbare vrouwelijke deugden. Iets met wol en vlas, en een lamp die nooit uitgaat. Die van 1951 spreekt van ‘degelijk’, en onvermijdelijk moet ik aan iets donkerblauws denken, al dan niet met rimpeltjes op dijhoogte. Moderne vertalingen kiezen vrijwel allemaal voor ‘sterk’.

Maar wat is sterk, heden ten dage? Zij die wekelijks een vracht boodschappen bij Aldi haalt? Zij die een gezin en een baan heeft, en daarnaast nog Hara-party’s organiseert? Zij die de lippen op elkaar zet en problemen eenvoudig doodzwijgt?  Zuinigheid, vlijt en nuchterheid scoren onder ons hoog. Wij prefereren een sterke vrouw, die haar emoties onder controle heeft.

Zo af en toe kom je er eentje tegen in de literatuur. Laatst las ik ‘Kijk me in de ogen’ van de Zuidafrikaan Jan Huisamen. Het boek is niet zo sterk, de hoofdpersoon wel. Onverzettelijk bleef ze staan in mijn gedachten, handen op de heupen. De kleurlinge Katryn, die bergen werk verzet op de boerderij en haar huis met vaste hand regeert, inclusief haar man. Daarbij laat ze zich niet breken door de pesterijen van haar aartsvijand, Abraham Klink. Tot zover kunnen we best met haar uit de voeten.

Maar ze heeft ook een paar vreemde gaven, die sommigen liever weg willen strepen. De gave om mensen tot op de bodem te doorzien, en de gave om doodzieke kinderen te genezen door ‘oppraten.’ Zoveel geesteskracht, daar worden we bang van, van hier tot in Zuid-Afrika toe. Een mens moet zich niet teveel verbeelden.

Katryn komt voor de rechtbank; ze wordt verdacht van de moord op een zoon van Klink. Maar ze houdt vast aan haar onschuld in dezen, al heeft ze alle schijn tegen en is er uiteindelijk niemand meer die het voor haar opneemt. De kracht van deze vrouw heeft iets heel inspirerends. Zelfs haar tirades jegens de beschuldigers, waar sommige lezers pijn in de buik van krijgen – omdat we onze grieven doorgaans net zolang inslikken tot we er een maagzweer aan overhouden? – vond ik eerlijkgezegd best aanstekelijk. De waarheid maakt je vrij. Katryn stáát, al hoor je haar ruggegraat kraken.

Terwijl ik dit opschrijf, komt er een aangrijpend bericht binnen. En onverwacht vind ik haar: de sterke vrouw. Ze ligt, ze is terminaal. Maar in haar werkt een kracht die alle kennen te boven gaat. Ze laat los wie haar kostbaarder zijn dan robijnen. Ze houdt vast aan de waarheid die niet gezien of bewezen kan worden. Ze richt haar blijde hoop op wat in dit leven alle, álle schijn tegen zich heeft: haar toekomende dag, waar alles wordt rechtgezet en lampen niet meer nodig zijn. Zalig is zij die geloofd heeft.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties