Het verleden is een ander land

Recensie van ‘Verliesfontein’ van Karel Schoeman

Er zijn schrijvers die je een afgerond verhaal thuisbezorgen, en schrijvers die je uitnodigen voor een reis. Zonder reisgezel kunnen zij hun mooiste vergezichten niet delen. Betrokken lezers zijn nodig om het verhaal zijn echte voltooiing te geven.
Tot die laatste categorie behoort de Zuid-Afrikaan Karel Schoeman. Met ”Verliesfontein” is zijn ”Stemmen”-drieluik in Nederlandse vertaling compleet. Het is Schoemans gewoonte om ”stemmen” aan het woord te laten. De enkele, bijna wegstervende stem van een oude vrouw in ”Dit leven”. De kakofonie van stemmen rond het mysterie van een schaapherder –heeft hij nou een echte engel in het veld gezien of niet?– in ”Het uur van de engel”. In ”Verliesfontein” klinken er opnieuw stemmen, van mensen die zich iets over een oorlog herinneren en daar woorden aan geven.
”Verliesfontein” lijkt in eerste instantie een echt historische roman; gebaseerd op geschiedkundige feiten en schijnbaar gedreven door het verlangen om historisch zo zuiver mogelijk te werk te gaan. Komt in zo’n geval niet óf de verbeelding, óf de objectiviteit in de knel? Bij Schoeman niet. Hij maakt een meesterlijke verbinding tussen die twee door het verleden als ”een ander land” te zien, en het uitspitten van dat verleden als een reis. Dat het leven als reis een heel sprekende metafoor kan zijn, zeker met behulp van een Bijbels georiënteerde verbeelding, weten we al sinds John Bunyans ”Christenreis naar de eeuwigheid”.
Geheugen en verbeelding
Schoemans reisdoel ligt echter niet voor, maar achter ons. „Er staan geen verkeersborden meer, geen kilometerpaaltjes om de afstand aan te duiden, en op geheugen en intuïtie reis je verder, het verleden tegemoet.”
Het geheugen, dat zijn de feiten zoals ze te vinden zijn in de ”Korte historische schets” achter in het boek. De intuïtie, dat is Schoemans verbeelding.
Op deze twee benen vangt hij de reis aan naar Fouriesfontein, een dorp dat in 1901 bezet werd door Boeren tijdens de Tweede Boerenoorlog, die uitbrak na jarenlange spanningen tussen supermacht Groot-Brittannië en twee nietige Zuid-Afrikaanse Boerenrepublieken: Transvaal en Oranje Vrijstaat. „Hoe moet je beginnen?” peinst Schoeman op de eerste pagina. „Theoretisch gezien zijn de mogelijkheden onbeperkt, en de verbeelding aarzelt, overweldigd door de overvloed die haar wordt aangeboden.”
Gewoon op weg gaan, lijkt het antwoord. Samen met fotograaf Eddie reist een historicus, Schoemans hoofdpersonage, per auto over een geasfalteerde weg die het vlakke open veld aan weerszijden verdeelt in twee gelijke helften. Ze zoeken de afslag Fouriesfontein. Daar moeten nog een graf en een gedenkteken zijn. Misschien kunnen ze dat vanmiddag op de foto zetten, en daarna weer door, overnachten in het volgende dorp.
Maar hoe ze de wegenkaart ook bestuderen, de afslag vinden ze niet. Ten einde raad laat de historicus zich ergens ter hoogte van waar ooit Fouriesfontein moet hebben gelegen uit de auto zetten en begint een stoffige landweg af te lopen. „Traag worstelt hij tegen de hitte op, uitgeput als een zwemmer die zich door de branding worstelt, en merkt dat de middagstilte net zo hoorbaar begint te worden als het verre gesnerp van krekels.”
Tijdmachine
Die zinderende middagstilte, dat gat op de kaart, daar maakt Schoeman heel knap een soort tijdmachine van die de historicus ten slotte toch in het dorp brengt, waar al zijn zintuigen opengaan. Terwijl hij huizen binnengaat, kreten hoort, geuren opsnuift en mensen tot op de huid benadert (terwijl hij zelf onzichtbaar blijft) doemt het verleden op als een surrealistisch landschap. Door middel van al die brokstukken, fragmenten en flinters informatie begint zich een reconstructie van Fouriesfontein in oorlogstijd af te tekenen.
Dit spel, dat schijnbaar objectief observeren met behulp van zijn verbeeldingskracht, speelt Schoeman op een duizelingwekkend hoog niveau.
Alsof hij zich schaamt voor zo veel verbeelding voert Schoeman daarna drie stemmen op, bronnen die voor meer objectiviteit moeten zorgen. Hoezeer deze mensen zich ook verontschuldigen voor het weinige dat ze te melden hebben, ze maken het plaatje wel iets completer.
Alice, de eerste stem, is de dochter van de Engelse rechter in Fouriesfontein. Ze is nog jong, de oorlog raakt haar niet, zegt ze. „Het is lang geleden en ik denk nooit aan onaangename dingen, ik herinner me geen onaangename dingen, dat dient geen enkel doel.”
Vervolgens komt Kallie aan het woord, die als secretaris op het rechtsgebouw werkt. Een wat trieste, mank lopende figuur die in de avonduren de mooiste citaten uit zijn boeken opschrijft in schoonschrift. Hij droomt ervan om dit levenswerk ooit te kunnen bekronen met een deel dat ”Reflections” zal heten: zijn eigen gedachten over wat hij gekopieerd heeft.
Mantels
De laatste stem is die van juffrouw Godby, een weduwe die „niets over de oorlog kan vertellen, dat heb ik nu al bij herhaling gezegd,” en toch komen we via haar een stuk meer te weten over Adam Balie, de mondige kleurling die eenvoudig de kogel krijgt als de Boeren snel van hem af moeten.
Drie stemmen, drie mantels waarin het geheugen zich hullen kan, wil Schoeman waarschijnlijk duidelijk maken. Alice wil zich geen onaangename dingen herinneren, Kallie loopt steeds weg voor elke eigen verantwoordelijkheid en juffrouw Godby doet alsof een oude vrouw genoeg heeft aan de wissewasjes van het dorpsleven.
Toch vreet het onrecht rond Adam Balie aan juffrouw Godby. Toch is Kallie de eerste die bij Adams lijk staat, al vraagt hij zich af waarom nu net hij. De oorlog kan niet weggedacht of vergeten worden, concludeert juffrouw Godby ten slotte. „Als een schaduw ligt hij over de weg, zwart over het stof van de straat, en je moet verder door die plotselinge kilheid, je kunt niet anders.”
Aan die onaangename koude ontsnapt zelfs Alice niet, wanneer ze na de oorlog merkt hoe eenzaam hun familie geworden is. Ze verbrandt alle foto’s „waar ze op staan, de rebellen en verraders, de mensen die ons niet meer groetten, de mensen bij wie we niet meer over de vloer kwamen.”
Groezelige routekaart
Wat wil Schoeman nu eigenlijk zeggen? Het verleden is een ander land. Met feitenkennis alleen kom je de grens niet over. Herinneringen zijn onbetrouwbare gidsen, ze worden immers steeds overschreven door het heden.
Is dat alles? Schouder aan schouder met de schrijver kijk je naar een groezelige routekaart met slechts een paar aanknopingspunten. Je zult bereid moeten zijn het daarmee te doen, met alles wat zich broksgewijs nog zal openbaren. Gewillig volg je de reisleider, op het kompas van zijn verbeelding. Wetend dat, net als in ”Het uur van de engel”, je denken ergens onderweg een transformatie zal ondergaan. Je zult er steeds minder op gebrand zijn te weten wat er precies gebeurd is – hoe lagen de verhoudingen in het dorp precies, wie heeft schuld tegenover wie, wie was de held en wie de antiheld?
Het gaat om de klim naar de top, om het helder wordende licht over de ”wijdte” van het landschap en de mensen te zien vallen. En misschien wel het meest: over het pad dat ik zelf afleg. Waarvoor ik (willekeurig) gekozen heb, zoals een schrijver steeds (willekeurige) keuzes maakt in zijn verhaal.
Maar kan ik ook beamen wat Schoeman zijn historicus op een gegeven moment laat beseffen: niets is toevallig, er wordt mij getoond waarnaar ik moet kijken, het wordt me aangewezen, ik word geleid. Zal ik aan het einde van de reis mijn hand op Schoemans hand kunnen leggen, en schrijven wat hij schrijft in de laatste zin van zijn trilogie: „de taak is voltooid, de opdracht is volvoerd”?
Boekgegevens
Verliesfontein, Karel Schoeman; uitg. Brevier, Kampen, 2016; ISBN 978 94 915 8390 2; 288 blz.; € 22,50.
Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Heilige leegte

„Bent u weleens verliefd geweest?’
„Meerdere keren. Maar toen kwam er een veel grotere liefde in mijn leven. Die heb ik beantwoord.” Een oude monnik en een tienermeisje, naast elkaar op een houten bank tegen de kloostermuur. Vaderlijk buigt broeder Luc (in de film ”Des hommes et des Dieux”) zich naar het meisje toe, terwijl ze verliefdheden bespreken. Hij neemt haar volkomen serieus. ”There’s a holiness of the heart’s affections”.
Het meisje knikt verlegen. En denkt wat wij denken: dat is alleen weggelegd voor monniken. In onze tijd is de celibatair zoiets als een kerkkoepel tussen de lage huizen van Rome, schrijft priester Henri Nouwen. Hij maakt zich „leeg voor God”, te midden van gewone mensen die verwikkeld zijn in allerlei contacten.
Ook in protestantse kring ligt alle nadruk op intermenselijke relaties. We weten intussen dat we veel luisteren en praten moeten. Hoe essentieel aanraking is, en hoe belangrijk oogcontact. We geven huwelijkscatechese, zorgen voor onderhoudsbeurten via huwelijkscursussen en -seminars, geven boekjes uit. En de SGP roept: een stabiele relatie, gebaseerd op liefde en trouw, is een van de kostbaarste dingen in het leven!
Ik zal de laatste zijn om dat te ontkennen. Maar zijn we niet ongemerkt gaan denken dat je de constante nabijheid van een ander mens, een goed huwelijk nodig hebt voor je welzijn en geluk? Is dat de reden waarom ”celibatairen” in reformatorische kring (hoewel dat meestal geen keuze is) zich vaak niet helemaal compleet voelen? Of er op z’n minst last van hebben dat getrouwden hen zo zien?
Het kan geen kwaad om nog even goed te luisteren naar Nouwen (en Paulus). Geen mens kan ons die liefde en erkenning geven waar we naar verlangen. Daarom moet elke getrouwde tegelijk ook ‘single’ zijn. En kan iedere single toch ‘bruid’ zijn. Elke christen moet een heilige leegte kennen, ruimte om alleen met de Geliefde te kunnen zijn. Zonder dat heilige middelpunt blijf je als alleenstaande inderdaad ten diepste incompleet. En seculariseren huwelijk en vriendschap, „als een stad zonder koepels.” Eenzaamheid, meditatie en gebed lijken niet rendabel meer. Maar de sloop van onze innerlijke kerkjes moet gestopt. Hoe zullen we liefde kunnen geven als we niet meer drinken aan de Bron ervan? Hoe zullen we alleen oud worden? Geliefden kunnen begraven? Staande blijven in een moeilijk huwelijk of gebroken gezin? Hoe zullen we het opbrengen om telkens weer de rit naar die inrichting of dat verpleeghuis te maken?
Ergens moet een houten bank staan waar je kunt zitten, je hart openleggen en peinzen over wat Samuel Rutherford –vriend van de Bruidegom– schreef: „Als we ook maar iets kenden van de schoonheid en lieflijkheid van Christus, zouden we wel door vuur en water willen gaan om bij Hem te zijn.”
Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

De hoop is een klein meisje

„Zie mijn vrienden!” zei de antiquair vanachter zijn bureau, een eenzaam eilandje te midden van oprijzende boekenkasten. „Dit is goed gezelschap.”
„Ze keren u wel allemaal de rug toe”, zei ik. Die had ik niet van mezelf, maar dat zei ik er niet bij. Verontwaardigd ging hij staan. „Uw geslacht wordt wijs door luisteren, niet door debatteren!” Bij die laatste woorden viel zijn stok. Ik raapte hem op. „Goed zo”, zei hij. „Zéér vrouwelijk.”
Wijs worden – luisteren – dienen – vrouwelijk, krabbelde ik op de terugreis in een notitieboek. Onlangs sprong dit laatje van herinnering weer open. Ik ontdekte Margriet van der Kooi. Rijkelijk laat volgens sommigen, want zij is nét iets voor mij. Dat klopt. Maar laat, daar hebben we het nog over. Margriet is goed gezelschap voor een saaie huisvrouw. Antiquairs spreek ik al jaren niet meer. Nu zit ik ineens met een vrouwelijke dominee op de bank. Principes dienaangaande heb ik maar even naast de oliebollen in de vriezer gelegd. Eerst luisteren naar haar wonderlijke verhalen.
Ds. M. A. Th. van der Kooi-Dijkstra is geestelijk verzorger in het Zuwe Hofpoort Ziekenhuis in Woerden en in het Regionaal Psychiatrisch Centrum Woerden. Ze zit aan sterfbedden en praat met suïcidalen. Mooi en ingetogen vertelt ze over haar ontmoetingen in ”Het kleine meisje van de hoop”, haar nieuwste boek. Dat meisje komt uit een lang gedicht van Charles Péguy, een dichter die stierf in de loopgraven, 1914-1918. „Het geloof is een trouwe bruid / De liefde is een toegewijde moeder / Maar de hoop is een heel klein meisje…” Van der Kooi noemt zich graag vroedvrouw. Haar plaats is daar waar alle maskers afgaan, waar mensen worden wat we uiteindelijk allemaal zijn: nietig en kwetsbaar. Alleen nog voorwerpen van genade. Maar uit stukjes verhalen van mensen, scherven soms maar, „luistert” Margriet af en toe „iets nieuws tevoorschijn”. Iets van verlangen. Iets waar alleen God het antwoord op is.
En juist daar waar dood en eindigheid het laatste woord lijken te hebben verschijnt tot je ontroering dat kind. Dansend, opgelucht lachend, of nadenkend knikkend duikt ze steeds weer op, de kleine hoop.
(Bijbel)lezen en veel luisteren hebben Van der Kooi wijs gemaakt. Ervan uitgaande dat ze ook een vallende stok uit een bevende hand wel zal oprapen, kun je wel van een ”zéér vrouwelijke” dominee spreken. Misschien moesten we er daar meer van hebben.
De juiste boeken komen vanzelf naar je toe, zei de antiquair nog. Blue Monday nadert, de meest deprimerende dag van het jaar. Goede voornemens zijn al mislukt en de zomer is nog ver. „O makker in ditzelfde grauw getij / Nog altijd komt het kind tot jou en mij”, reciteert Margriet. Dit is de tijd om ”Het kleine meisje van de hoop” te lezen. Ik zie haar al enthousiast knikken.
Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Katjes, reeën en ezels

De nieuwste RD-column:

Veracht de dag der kleine dingen niet. Zoiets dacht ik toen, na een bijna Kaïn-en-Abelachtige vormen aannemende rivaliteit, onverwacht verbroedering optrad tussen mijn twee zonen. Niet door een Zwaar Gesprek, niet door dat ene Pedagogisch Inzicht waar ik op hoopte. Maar op kousenvoeten, in het gewaad van een oud monopolyspel uit een stoffige kringloop, kwam de vrede het huis binnen.
Nog zoiets. Geplaagd door veelvuldig nachtbraken begon ik al aan een slaapkliniek te denken. Tot een fikse avondwandeling voor een diepe droomloze slaap zorgde. Hoopvol gestemd maakte ik mijn tweede ommetje. In een bocht van het pad zat een guitig jong katje. Even meende ik een knipoog te zien. Een sprookjesdier was het, met het licht van de supermaan in zijn zilvergrijze vacht.
Ik dacht aan wat een zwaar beschadigde vrouw ooit vertelde. Hoe ze in haar rolstoelauto door de schemer van november reed, dacht: „Als ik nu het gas intrap en op de andere weghelft ga rijden, is het snel voorbij…” en toen die ree zag staan die haar bewegingloos aanstaarde met het licht van haar koplampen in zijn vochtige bruine ogen.
Ik weet niet of zulke ‘kleine’ verhaaltjes zich verdragen met onze geroemde Hollandse nuchterheid, maar Ida Gerhardt wist er poëzie uit te halen. Met dank aan katjes, reeën, en (in haar geval) een ezel. „Gij met uw zachtzinnige oren / en uw geduldig gezicht: / ik ben u zeer verplicht. / Dat gij het hebt aan willen horen / hoe toenmaals het is geschied; / en hoe mij de ander verried. / En dat ge zelfs niet hebt bewogen, / mij slechts hebt getroost met uw ogen. / Dat kunnen de mènsen niet.”
Op dat laatste zinnetje is wel wat af te dingen. In krommingen van het levenspad kun je ongedacht oog in oog staan met een menselijke ‘ree’ of ‘ezel’. Mensen met zachtzinnige oren, die luisteren en begrijpen. Die je in hun voorbede betrekken, soms zelfs lang voordat er ook maar iets gedeeld of uitgesproken is. Wanneer de ene ziel aan de andere verbonden wordt, zoals bij David en Jonathan, gebeurt dat in stilte, zonder mensenhanden. Echte zielenvriendschap is een wonder.
Zoals je sprekende ezels kunt wegredeneren, kun je een liefde die wonderlijker is dan die voor een man of vrouw verdacht maken door haar (bijvoorbeeld) seksueel te duiden. Maar dan mis je het geheim dat in het kleine en gewone, het grote en heilige zich aan je tonen wil. In de roman ”Gilead” van Marilynne Robinson zegt de oude dominee John Ames: „Als we goddelijk gevoed kunnen worden door een stukje brood en goddelijk gezegend met een aanraking, dan leert de onuitsprekelijke blijdschap die we vinden in een bepaald gelaat ons zeker iets over de aard van de allerhoogste liefde. Dat geloof ik oprecht.” Dat kunnen de díéren niet.
Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Mintijteer

“Wie zozeer de aanwezigheid van God heeft geproefd, op de diepste bodem, daar waar leven bijna niet mogelijk is, waar de angst als duizend pissebedden de kleinste gaten en spleten zoekt om bij je binnen te kruipen, wie één keer in de vuurkring die God om ons heen kan trekken heeft geleefd, daar waar geen andere macht toegang heeft, die heeft geen woorden meer voor God. Voor zo iemand is God werkelijker dan een steen. Die kan op den duur niet meer discussiëren over het bestaan van God, want dat is gewoon absurd.”

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van afgelopen zaterdag:

Waar water stroomt, verschijnen dijken. Waar bejubeld wordt, is de kritiek niet ver. Altijd weer dat ritme: woord en weerwoord, stuw en dam. Gezangen? Houd het toch bij de psalmen! De mooiste roman sinds jaren? Stilistisch een prul! Er is niets nieuws onder de zon, en niets verontrustends aan de einder. Zolang er tussen stuw en dam maar geen ijskoud meer ontstaat, waarin alles wat lieflijk en welluidend was stilletjes verdrinkt.
Laat dat met ”Mintijteer” niet gebeuren, in elk geval. Hoewel lieflijk en welluidend niet het eerste is waar je bij deze roman aan denkt. ”Mintijteer” is het rauwe verslag van diepe rouw, geschreven door een nog jonge Duitse auteur die zich als puber „heel zachtjes” van God losmaakte, weer begon met bidden toen haar vader kanker kreeg en na diens overlijden opnieuw door een dal ging toen ook haar broer ongeneeslijk ziek bleek te zijn. Maar voor wie het uiteindelijk glashelder werd: God bestaat.
Na recensies vol ontzag en de enthousiaste ervaringen van lezers kwam –je kon erop wachten– de dam. De tegenstem. „Mierzoete titel.” „Schreeuwend taalregister.” „Laat te weinig ruimte aan de lezer.” Dat laatste snap ik wel, want ook ik heb het boek ergens halverwege weg willen leggen. Zo veel emotionele erupties, de ene braakgolf na de andere. Over God, de mensen, de kerk. Magnis bedient zich graag van ferme taal, waar ik eerlijk is eerlijk ook nogal eens om gegrinnikt heb.
Maar heeft een boek geen ziel? En moet je naar die ziel niet meer luisteren dan naar de zinnen op zich? Zoals je een mens in een diepe crisis laat uitpraten, al vindt hij de goede en welgevoeglijke woorden niet. Zeg je dan: „Iets subtieler graag”? Je wacht en weet: dit proces is nodig. Bij Magnis heet het zelfs ”Eine Bekehrung”. Het Bijbelboek Job had kunnen eindigen bij het prachtige vers: „De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij geloofd!” Waarom nog die eindeloze klachten, waar zijn vrienden van walgen? Fijn om te horen (lezen) is het niet. Elke uiting van twijfel jegens God, hoe menselijk ook, is en blijft zonde.
Maar bij Job én bij Esther Maria Magnis druipt het oog… tot God. Een oog waar het vuil uit moet om Hem te kunnen zien in Zijn schoonheid en onbegrijpelijke grootheid.
Zo kunnen er in deze moderne roman een paar onvergetelijke Godservaringen staan. Heel mooi subtiel beschreven. Heel voelbaar is de eenzaamheid die het gevolg ervan is, want je kunt uiteindelijk niemand uitleggen hoe gelukkig, en hoe zeker… „En ook mij bemint Hij teer.”
De „mierzoete” titel van dit boek is ontleend aan een gezang. De ziel ervan zingt Datheen: „Al de grote waterstromen zijn Heer’, over mij gegaan/ en mij over ’t hoofd gekomen; maar Gij hebt mij bijgestaan.”
Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Bekentenissen

 

wolfe

De vrouw met wie ik samenleefde, was van mijn zijde weggerukt, omdat ze als een beletsel gold voor een huwelijk, en op de plek waar mijn hart aan haar had gehangen, was het stukgetrokken en verwond en bleef het maar bloeden. (Belijdenissen, VI, xv, 25)

Begin 2016 verscheen ‘Confessions of X’, een historische roman over de onbekende geliefde van Augustinus, bisschop van Hippo, theoloog, filosoof en kerkvader. Auteur is Suzanne Wolfe, die niet alleen romans schrijft maar ook creatief schrijven doceert aan Seattle Pacific University.

‘Er is geen heilige zonder verleden’, het motto voorin het boek, is een citaat van Augustinus zelf. Nu mag ik altijd graag wroeten in verledens, en wel van heiligen in het bijzonder, dus zag ik uit naar de Nederlandse vertaling van ‘Confessions of X’ – ‘Bekentenissen’. X en ‘De vrouw met wie ik samenleefde’ zijn dezelfde. Zo’n met geheimzinnigheid omkleed gegeven vraagt om een roman, dat begrijpt iedereen. Maar waar de feiten summier zijn, moet veel ingekleurd worden. X heeft in de historieblaân zelfs geen naam gekregen.

Die krijgt ze van Wolfe evenmin, hoewel er wel wat koosnaampjes circuleren. Haar jeugdvriend noemt haar Najade, waternimf. En voor haar vader (een begaafde mozaïeklegger) is ze Vogeltje. Via de blik van Augustinus laat Wolfe ons een aantrekkelijke, scherpzinnige jonge vrouw zien. Maar krijgt ze ook echt een gezicht, een stem, een naam waarbij liefhebbende lezers haar kunnen gaan noemen?

Wolfe kan schrijven, dat staat buiten kijf. Hoe ze mensen van verre tijden tot leven wekt, gehuld in geuren, kleuren en stoffen. Hoe ze scherpe observaties afwisselt met filosofische mijmeringen. ‘Lang geleden zag ik in Rome een vrouw die zo oud was dat haar huid gegroefd en gekneed was, zoals God de wereld maakte. Ze was aarde, wortel en steen, en gebouwen wierpen hun schaduwen over het plein als in een zwijgend eerbetoon. Die vrouw ben ik geworden…’  Prachtig. Zo’n stijl is een eerbetoon aan de hoofdpersoon, de man die zo’n beroemd traktaat over schoonheid schreef. De toon van Augustinus’ ‘Belijdenissen’ klinkt erin door.

Verder is Wolfe goed in haar bronnen gedoken: allerlei gegevens uit de ‘Belijdenissen’ heeft ze passend in haar verhaal verwerkt. Zijn jeugd(zonden), zijn vriendschappen, de band met zijn moeder, de filosofische gedachten die hij als Manicheeër had. Met als rode draad zijn zoektocht naar ware schoonheid. ‘Onrustig is het hart totdat het rust vindt in U, o God.’

Die onrust is voelbaar in de roman, ondanks het bijna volmaakte geluk dat deze twee mensen samen beleven. (Voor de geloofwaardigheid had Wolfe trouwens wel wat dissonanten mogen inweven; zo’n man als ‘haar’ Augustinus dromen we ons allemaal) X merkt het wel, dat Augustinus iets zoekt wat hij nog niet gevonden heeft. Maar hun band is zo hecht en de liefde zo groot dat ze aanvankelijk niet echt bang is hem kwijt te raken. Zeker niet als hun zoon geboren wordt: Adeodatus, Godsgeschenk. Voor beiden een nieuwe bron van veel geluk.

Toch heeft Augustinus van meet af aan duidelijk gemaakt dat ze hoogstens zijn concubine kan zijn. Wil hij een goede maatschappelijke positie krijgen, dan zal hij ook een vrouw van stand moeten trouwen. Vogeltje is niets, behalve arm en wees. Maar dat geeft niet, zolang de twee niets meer verlangen dan ‘liefhebben en geliefd worden’.Het wordt anders als Augustinus met steeds meer tegenzin zijn lessen gaat geven, een andere betrekking zoekt, en ze ten slotte gedrieën naar Rome verhuizen. Daar maakt Augustinus kans op promotie, mogelijk kan hij zelfs de rechterhand van de keizer worden. Maar concubines duldt die niet, hoort X al snel.

Suzanne Wolfe maakt van X een sympathieke vrouw, die zichzelf steeds duidelijker de vraag stelt of ze niet opzij moet gaan voor Augustinus’ welzijn en geluk, of ze die allergrootste liefde kan opbrengen die, zoals moeder Monica het noemt, zelfs wil sterven voor vrienden (Johannes 15).

Juist op dit punt, waar het verhaal echt diepgang had kunnen krijgen, vlakt de roman af. Vrij snel neemt X haar beslissing. Augustinus spreekt haar nauwelijks tegen. Zowel hij als X laten de rolluiken zakken: ze praten amper met elkaar en gaan ieder hun eigen weg. Hun pijn wordt wel benoemd, maar niet genoeg voelbaar gemaakt. Je zou met X mee willen denken: wat gaat er allemaal in haar om? En Augustinus: wat zijn zijn overleggingen, wat bespreekt hij met zijn vrienden? Je komt er niet goed achter. Gezien de zielsliefde tussen de twee, moet dit een onmogelijke beslissing zijn. Het ingehouden afscheidsdrama dat Wolfe toont is niet evenredig hieraan. X zegt man en zoon vaarwel en vertrekt naar Afrika. Verdoofd door verdriet, dat wel. Maar dat lijkt dan ook haar enige emotie te zijn.

Dat is bevreemdend, en des te meer als haar op zekere dag de boodschap bereikt dat Augustinus de verloving met een andere vrouw verbroken heeft en een onherroepelijker verbintenis is aangegaan: als verloofde van God! X wist dat bisschop Ambrosius indruk op hem gemaakt had, maar in de roman wordt tussen hen daarover niets besproken. Dit bericht moet, vanuit haar perspectief in deze roman, toch een soort donderslag bij heldere hemel zijn geweest. Opnieuw is X verdrietig. Maar zou ze zich niet vooral belazerd moeten voelen? Boos, verward? Of moet ik hier als lezer mijn 20e eeuwse bril afzetten..?

Jezelf opofferen voor de carrière van je geliefde is een ding, maar dat offer brengen omwille van een andere Geliefde ‘Die zijn haak in zijn hart geslagen heeft’ zoals Augustinus vader X waarschuwde, daarvoor moet je zelf ook door die hoogste Liefde gegrepen zijn. En ook dan kan het proces lang, bitter en pijnlijk zijn.

Welke plaats God in het leven van X heeft, blijft lang onduidelijk. Als Adeodatus op bezoek komt en met zijn hoofd in zijn moeders schoot vertelt over zijn vader, lijkt X aan Zijn kant te staan. ‘Hij was verslagen toen u weg moest,’ zei hij. ‘Maar dat was nodig om bij God te komen. Hij moest verliezen wat hem het dierbaarst was om te kunnen vinden waar hij zijn hele leven naar op zoek was. Begrijpt u dat?’

‘Ja, mijn zoon,’ antwoordde ik en ik streek door zijn haar. ‘Ja.’

Maar. Aan het einde van het boek maakt Wolfe concreet: X vereerde de Punische goden waarmee ze was opgevoed niet meer, maar diende ook de God van de christenen niet. ‘Die had me veel te veel afgenomen.’ Ik krijg haar maar niet goed in beeld. X, wie ben je nu eigenlijk precies? Wolfe, wat wil je ons vertellen?

‘Jouw opoffering wees me op het offer van Christus, die zo volmaakt liefhad dat Hij aan het kruis wilde sterven om arme zondaars zoals ik te redden. Dat je wegging was verschrikkelijk voor mij – iets ergers heb ik nooit meegemaakt – maar er is iets heel moois uit voortgekomen. Althans, ik begin dat moois te ervaren, ook al word ik nog al te vaak belaagd door angst en twijfel en verlangen. Ik verlang zo naar je dat ik soms bang ben dat ik mijn verstand verlies.’ Dit laat Wolfe Augustinus schrijven, in een laatste brief aan X. Opnieuw prachtige woorden, geheel in lijn met de Belijdenissen. Maar de vraag is of ze het hart van X bereikt hebben.

Mijn laatste vraag is waarom Wolfe X geen christen liet zijn, of worden. Dat klinkt wellicht drammerig, en dat zou het ook zijn bij een willekeurige andere roman. Je beoordeelt een roman, een personage ten slotte op wat het is, niet op wat het niet is. Maar dit lijkt me een ander geval. Was het niet natuurlijker geweest om X wel in God te laten geloven? Dat is niet zomaar een persoonlijke voorkeur van mij. Ook de ‘Belijdenissen’ geven er aanleiding toe. Het zit ‘em in één woordje:

Zij was naar Afrika teruggekeerd en had u(!) beloofd geen andere man meer te zullen kennen. Waarom zou X iets beloven aan God als ze toch niets met Hem kan? De voetnoot van hertaler Gerard Wijdeveld bij deze regel: ‘Men kan wel veronderstellen dat Augustinus’ gezellin, van wie moeilijk valt aan te nemen dat ze vroeger zijn manicheïstische overtuigingen niet min of meer gedeeld had, katholiek was geworden, of liever, tot de Kerk was teruggekeerd: anders had Augustinus wel ‘beloofd’ zonder meer gezegd.’

Resterende vragen. Die temperen mijn bewondering voor dit mooi geschreven boek, met zo’n diep thema. Wie over ware liefde en opoffering schrijft, schrijft hoog en diep, dat kan niet anders. Alleen al daarom blijft dit verhaal je bij. Maar het had nog onvergetelijker kunnen zijn als X wat minder X gebleven was, en een nieuwe naam gekregen had.

Wij zijn voor God gemaakt. Slechts omdat onze aardse geliefde in een bepaald opzicht op Hem leek, een manifestatie was van Zijn schoonheid, barmhartigheid, wijsheid of goedheid, kon hij of zij onze liefde wekken. Wij hebben hen niet te veel liefgehad, het is meer dat we niet doorhadden wat we nu eigenlijk liefhadden. Van ons zal niet gevraagd worden dat we ons van hen die ons zo lief en vertrouwd zijn afkeren en ons tot een vreemde wenden. Integendeel, wanneer wij Gods aangezicht zien zullen we weten dat we het altijd al gekend hebben. Van al onze aardse ervaringen van onschuldige liefde maakte hij deel uit, hij schiep ze, onderhield ze en bewoog zich er elk ogenblik in. Alles wat in onze liefdes ware liefde was, was ook op aarde al veel meer van Hem dan van ons, en ook alleen maar van ons omdat het van Hem was.  

(C.S. Lewis in ‘De vier liefdes’. Jammer dat Augustinus en hij elkaar niet gekend hebben 😉

N.a.v. “Bekentenissen” – Suzanne Wolfe – uitgeverij Mozaïek – 2016. Met dank aan de uitgever voor het leesexemplaar.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Dominee komt met de trein

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Er ligt een achtjarige jongeling op zijn buik, naast een stapel kerkelijke jaarboeken. Hij proeft exotische namen en spelt fascinerende getallen. Het kerkelijk verleden huist in zijn kleren en zijn haar. Hoksbergen, Verhagen, Van Haaren… het ‘rijtje’ uit Kampen zit er als eerste in. Maar eigenlijk is alles interessant. „Mam, weet u waar dominee Vergunst woonde? Mussentiend 10!!”

Aan tafel ontstaat een nieuw spelletje. De jongeling roept een straatnaam en zijn vader probeert de bijbehorende gemeente op te dissen, met de kennis die híj rond 1989 buikliggend vergaarde.

Op zondagmorgen, nadat onze predikant een paar ontvangen beroepen heeft meegedeeld, wordt mij toegesist dat gemeente x het in elk geval niet zal worden „want daar hebben ze maar 293 leden.” Een uitgelezen kans om op de terugweg uit te leggen dat het zo niet werkt.

Tweeërlei reactie is mogelijk op bovenstaand verhaal. Men smult ervan of men ijst ervan, afhankelijk van de binding met het kerkverband. Ik was mijn handen in onschuld. Het zijn gewoon de genen. Het spelletje met vader zou ook met opa gespeeld kunnen worden, die nog gegevens uit 1952 paraat heeft. Ik deed er niets toe. En ik schroom om er wat af te doen. Die ongereptheid van een kinderziel – het heeft iets helends.

Hij vraagt me te bidden om meer predikanten – die zijn er veel te weinig. Zelf zou hij daar op den duur ook graag bij horen. Het komt niet over mijn lippen dat er dan wel wat hobbels te nemen zijn, te beginnen bij zijn voorliefde voor felgekleurde kleding. Ik zeg hem dat hij een auto zal moeten kopen, waar hij van jongs af aan al op tegen is (ook iets met genen). Maar daar ziet hij de noodzaak totaal niet van in. Eens sloot hij het kerkjespelen af met de mededeling „Volgende week zal ds. K. uit A. in ons midden voorgaan… en hij komt met de trein!”

Driftig bladert hij in het gloednieuwe jaarboek. „Kijk, er zijn best veel gemeentes met een station. En er zijn juist géén dominees!” Breng daar maar eens iets tegenin.

Op een avond vraagt hij of ik denk dat het echt een keer zal gebeuren: hij dominee worden. Leunend op een elleboog kijkt hij scherp naar mijn gezicht. „Ik weet het niet zo goed.” „Hoopt u het wel?” Bij het verlaten van de slaapkamer hangt er een molensteen om mijn hals. Er is een stukje geschiedenis dat zich niet voor niets van generatie op generatie in geheugens gegrift heeft: het kind dat Jezus Zijn discipelen ten voorbeeld stelt. Het denkt waarschijnlijk maar één ding: hoe klein het zelf is en hoe groot die ‘reuzen’ om hem heen. Maar achter hem staat Jezus. En precies op die plek, zo alleen in het midden, is alles mogelijk.

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties

Kosmosjes

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 21 mei 2016

Hoe meer je inzoomt op een microkosmos hoe universeler je verhaal, aldus een befaamde romanschrijver. Als kind keek ik vaak naar het gezicht van mijn oma. Aan weerszijden van haar mond liepen twee neerwaartse lijntjes die haar iets smartelijks gaven, ondanks haar opgewekte aard en aanstekelijke lach. Door een map met oude krantenknipsels viel er iets op z’n plaats. Wemeldinge, 1942. Een Engelse bommenwerper die neerkwam op een woonhuis en zeven personen uit één familie doodde: de moeder, twee zussen, twee broers en twee logerende nichtjes van mijn oma, zelf nog maar kort getrouwd. De microkosmos van mijn oma’s leven, in een paar lijntjes samengevat. Nog wat dieper ingekerfd door het verlies van een vijfjarig zoontje in 1947 en een broer tijdens de ramp van 1953. In een oud interview lees ik dat er bijna geen dag voorbijging of ze dacht aan die ene nacht in 1942. Nu ik de leeftijd krijg om naar het hoe van zo’n grote klap te kunnen en durven vragen, leeft ze niet meer.

Maar er waren er zo veel meer, van die kosmosjes met de vlag permanent halfstok. Het oorlogsdagboek van Jeanne Tunderman –alleen achtergebleven nadat haar echtgenoot ds. J. W. Tunderman wegens verzetsactiviteiten naar Dachau moest– laat me inzoomen tot waar ik bijna niet durf te kijken. „En wij, eenzame vrouwen, met het hart altijd ver van de plaats waar wij vertoeven, wij kennen zo veel gedachten die ons bestormen.” Elk uur, elke minuut denkt Jeanne aan Wim. Hun huwelijk moet een wonderlijke eenheid zijn geweest. Ik sluit niet uit dat ze elkaar zelfs op afstand aangevoeld hebben. Nog onwetend van Wims dood op die dag schrijft Jeanne zich op tweede kerstdag 1942 helemaal leeg. „Het is zo moeilijk, zo moeilijk, zo ontstellend leeg en droef.” Haar onzekerheid en „heftig begeren” zijn zó persoonlijk, en zó universeel. Al zegt ze in ieder fragment ongeveer hetzelfde –dat ze zonder Wim niet leven kan– alle malen ween je. Toch is het geen deprimerend boek. Denken aan Wim is denken aan God. En misbaar maken. En hopen. En loven. Alles tegelijk. Niet: af en toe God ervaren in plaats van pijn, maar God ervaren ín de pijn. Kan een hart het begeven van verdriet? Jeanne overleeft Wim een paar maanden. Dan is het verlangen naar bruidegom en Bruidegom in één moment vervuld.

Inzoomen op ‘foute’ predikanten in oorlogstijd, zoals in recente publicaties gebeurde, kan „ontzettend depressief” maken (dr. B. J. Spruyt). „Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.” Het is zaak de kijker af en toe te verplaatsen. Want wie van Jeanne Tundermans piepkleine universum opkijkt naar het firmament, kan alleen nog maar denken: hoe helder staat de Morgenster.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Zeg het Petrus

the-disciples-peter-and-john-running-to-the-sepulchre-on-the-morning-of-the-resurrection-eugene-burnand

Soms heb je van die dromen… Freud zou ervan smullen. Ik bleek een preekbeurt te hebben afgesproken. Ergens in de mistige periferie van deze droom was deze beslissing genomen; het waarom ervan bleef onopgehelderd. Ook voor mezelf. Knagende verwarring deed mij de desbetreffende broeder ouderling telefoneren. Was dit wel een goed idee? Wat trekt een vrouw voor zo’n gelegenheid eigenlijk aan? Hoe kapt ze heur haar? We moesten er maar niet aan beginnen, zei hij op vaderlijke toon. Wist ik wel hoe dat klinkt: een vrouw op de kansel? De pijnlijk treffende imitatie die volgde, deed de (kansel)deur dicht. Dit moesten we inderdaad maar niet doen. Blijf jij maar stukjes schrijven.” Ik voelde me bedroefd en goed.

Bij het ontwaken schoot me te binnen welk argument ds. J. T. Doornenbal ooit inbracht tegen de vrouw in het ambt:

Een beetje man wordt hels als hij door een vrouw tot de orde en tot bekering wordt geroepen.” Ik zal het de gereformeerd-vrijgemaakte werkgroep ”man, vrouw, kerk” nog eens influisteren.

Toch komt ze elk jaar in alle kerken langs: Maria Magdalena. En geen enkele predikant, hoe beginselvast ook, zal ontkennen dat deze zuster door Jezus Zelf erop uitgestuurd wordt om haar broeders tot de orde te roepen. De nieuwe orde! Alles is nieuw geworden, ook de zuster zelf. Dat is wel nodig ook. Want een beetje vrouw wordt hels als haar (emotioneel) gedeelde ervaringen door mannen worden afgedaan als „ ijdel geklap.” Maar „ Christus schept er behagen in om het zoete gevoelsleven bitter te maken”, schrijft de puritein Richard Sibbes, „ om Zijn kinderen te wennen aan een leven uit geloof.” Dát is Maria Magdalena’s opstanding: uit haar overmatige verdriet, uit haar zelfgerichte emoties en haar hoewel oprechte toch ook wel claimende liefde. Nu kan ze –gezalfd met de liefde van Christus Die om zondaars te bevrijden zwaar wilde lijden– naar de broeders.

En naar Petrus, met name! Een heel beetje man, lijkt me zomaar. Maar ”Petrus” staat hier ook voor: door de bodem van het ambt heen gezakt, meer beloofd dan waargemaakt kon worden, de waarheid verdraaid om de scherpe tong van een paar jonge vrouwen. Bittere pijn, niet door mensen maar alleen door Jezus’ oog, vlak voor Zijn dood, gezien en gepeild. Onopgeloste schuld, uitzichtloos verdriet.

Diezelfde Petrus komt (volgens Lukas 24) op het woord van een vrouw in de benen, loopt naar het graf, ziet de doeken en gelooft: het is allemaal waar. Mannelijke en vrouwelijke tobbers vinden elkaar bij een open groeve. „ Wij blijven verwonderd staan / en met wie Gij liefhadt vertoeven. / Hij die U het meest bedroefde / mag het eerste naar binnen gaan.” Het zij ‘Petrus’ bij dezen maar weer gezegd.

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties

Sara nevens

De nieuwste column, vandaag verschenen in het Reformatorisch Dagblad:

Soms komt mijn man thuis met de opmerking: „Ze zeggen dat je weer een mooi stukje geschreven hebt.” Boze tongen beweren dat zo’n huwelijk niet in orde is. Delen die twee alles wel? Leven ze niet langs elkaar heen?

Nu, vorige week was ik er in elk geval bij toen de door mijn wederhelft hertaalde ”Redelijke godsdienst” van Wilhelmus à Brakel gepresenteerd werd. Ze zeggen dat het een voortreffelijke hertaling is. Nu ben ik dus „de vrouw van.” Vernederend? Het „stil” zijn van de vrouw –tegenover de „lerende” man– heeft ook wel iets vorstelijks, vind ik.

Waarom zou je nog woorden gebruiken als je aanwezigheid al genoeg is? Denk aan koning Arthasasta, die wonderlijk positief op Nehemia reageert, „daar de koningin nevens hem zat.” Subtiel! Wanneer hij met Wilhelmus verkeerde, probeerde ik te schitteren door stilheid, in de kamer benevens.

Op zekere avond leek het me wel aardig om Sara Nevius te leren kennen – „de vrouw van.” Nevius –haar achternaam is de verlatiniseerde vorm van Nevens– bleek ook veel te schrijven. Voor haar „een middel om gevoelens van lusteloosheid en verwardheid te verdrijven, zichzelf moed in te praten en ongepaste gedachten voor zichzelf te houden”, aldus een vrouwenlexicon. Ineens zat Sara pal naast me op de bank. Ds. Herman Witsius van Leeuwarden, aan wie ze haar geestelijke vragen voorlegde (was Wilhelmus te druk?), gaf haar een onvergetelijk antwoord: „Waarom vraagt gij mij? Vraagt het de Heere Jezus Zelf.”

De gedachten die ze daarna opschreef, vormen het intieme verslag van ontmoetingen met deze Geliefde. De Enige Die alles van haar weten mocht. Toen Sara stierf, vroeg een goede vriendin Wilhelmus naar haar nagelaten meditaties. Wat bleek? Hij wist van het bestaan daarvan zelfs niet af. Leefden hij en zijn vrouw langs elkaar heen? Vast niet. Maar er stond wel een Derde tussen hen in – Die voor beiden de Eerste was geworden. „Wanneer ik God meer liefheb dan mijn aardse liefste, zal ik mijn aardse liefste meer liefhebben dan daarvoor” (C. S. Lewis).

Juist eenzaamheid en tijden van scheiding kunnen nodig zijn om dát te leren. Een relatie mag nog zo’n paradijsbloem zijn, vervullen of verlossen kan ze nooit. Niet voor niets waarschuwen de puriteinen herhaaldelijk voor de „romantische liefde” als afgoderij. Wilhelmus hield niet in de eerste plaats van Sara om haar „zeer welgemaakte lichaam”, „heldere oogopslag” of „doorluchtige verstand” (zijn eigen woorden) – hij had haar lief in Christus. En zij hem. Een liefde die alles verdraagt, tot gescheiden werelden toe.

Ongetwijfeld vond Wilhelmus zulke overleggingen terug in Sara’s schriftjes, die hij later ook als boek publiceerde. Maar niet voordat hij alle huiselijke en intieme passages had verwijderd. Helaas. Toch had hij gelijk. Wat een verborgenheid is, moet een verborgenheid blijven. Daarom staat er in dit stukje niet alles wat u mogelijk graag zou lezen.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie