Wandelen om bij de berg te zijn

Afgelopen zomer, in de tuin van een slaperig Oost-Duits dorpje, beving mij de gedachte hier voorlopig te blijven. Om een leven te leiden als onze 91-jarige Nachbarin, die gebukt stond over haar groentetuin terwijl een geit het gras voor haar maaide.

’s Middags zou ze de hele tijd op het bankje aan de weg zitten, wachtend op wie er maar naast haar kwam zitten, glimlachend om ons bedrijvige komen en gaan. Ik vroeg me af wie er nu eigenlijk vakantie had. Zij die haar hele leven al op dit stukje grond doorbracht en zelden het dorp verliet of wij, die in twee weken tijd probeerden zo veel mogelijk wensen op ons Duitslandlijstje af te vinken. Ik wilde dit landschap kennen zoals zij, een inwoner.

Maar „tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.” Toen de school weer begon las ik het boek waar ik in de vakantie niet aan toekwam: ”De levende berg” van Nan Shepherd. Ik rekte de tijd en maakte hem tweedimensionaal – ik was in Kampen en in Schotland. Met Nan trok ik de Cairngorms in, een ruige bergketen in de Schotse Hooglanden. Haar hele leven heeft Nan die bewandeld. Haar ervaringen met het gebergte beschreef ze in een zeer fraai, poëtisch verslag.

In het voorwoord schrijft auteur Robert Macfarlane –met wie je ook fantastisch reizen kunt vanuit je stoel– dat de meeste boeken over bergen zijn geschreven door mannen, en dat mannelijke klimmers meestal gefocust zijn op de top. Hebben ze die gehaald, dan is de expeditie geslaagd. Ook Shepherd is eerst gegrepen door deze zucht naar „de hoge uitsteeksels.” Maar gaandeweg leert ze de heuvels in te trekken zonder doel, zonder zelfzucht, „slechts (…) om bij de berg te zijn, zoals je een vriend bezoekt met geen ander doel dan zijn gezelschap.”

Shepherds vrouwelijke omgang met het gebergte is zintuiglijk en spiritueel, haar taal soms ronduit religieus. „De geest kan niet bevatten wat het (gebergte, CS) te bieden heeft, en gelooft lang niet altijd wat het wel bevat.” Ik kan bijna niet om een nogal confronterende parallel heen. De Cairngorms zijn een metafoor. Van het leven, onze levensreis. Maar niet minder van God. Is onze omgang met, ons willen kennen van Hem ook niet vaak erg mannelijk van aard? Bij gunstige weersomstandigheden zoeken we Hem op, voorzien van een dogmatische routekaart, gefocust op de doelen die wij willen bereiken. Shepherd maakt behalve een verlangen naar de natuur ook een ander verlangen los: onafgebroken te wandelen met God. Met geen ander doel dan met Hem te verkeren. Bij dag en bij nacht, in zon en in regen, door storm en door mist. Als vriend, niet als toerist.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

We hebben regen nodig

Zachtjes tikt de regen tegen het keukenraam. Verkoeling is gekomen, gelukkig. Ik kan weer denken. De eerste gedachte is een zin uit een verder vergeten pinksterpreek. Het spijt me dominees, soms beklijft er maar één zin. Een zin die als een vuurvliegje in mij blijft rondvliegen. ”We hebben regen nodig.” Schep moed dominees, elk van uw zinnen kan een vuurvliegje zijn.

Als negentienjarige ging zendelinge Amy Carmichael „half hongerig, half vrezend” naar een conferentie. Zou ze iets horen? Twee lezingen zat ze uit, terwijl het vanbinnen triest en mistig werd. Tot de voorzitter de eerste zin van zijn afsluitend gebed uitsprak: „O God, wij weten dat U bij machte bent ons voor struikelen te bewaren…” Het waren woorden vol licht. Ze vonden Amy, ze schenen haar verblindend in de ogen. Dit was niet haar bekering; die vond plaats toen ze zestien was. Ook op haar achttiende had ze een bijzondere ervaring gehad, waarbij ze Gods stem hoorde.

Het valt mij op dat veel ‘helden’ in Gods koninkrijk –David Brainerd, George Whitefield, Jonathan Edwards, Hudson Taylor– meerdere bijzondere Godsopenbaringen hebben gehad. Ontvangen als antwoord op hun (soms jarenlange) gebed, en toch altijd weer onverwacht. Niet om er de held mee uit te hangen, maar om hen toe te rusten voor een taak. Korte afgebakende momenten vaak, zo vol van Gods heerlijkheid dat ze er niet in volzinnen over konden spreken. „Maandag 23 november (…) vanaf ongeveer half elf ’s avonds tot ongeveer half één ’s nachts. VUUR. God van Abraham, God van Isaak, God van Jakob. Niet de God van filosofen en geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Gevoel. Vreugde. Vrede. God van Jezus Christus.” (Blaise Pascal)

Deze ervaringen veranderden mensen voor de rest van hun leven. Na die ene conferentie zat Amy te eten in een restaurant. De lamskoteletten waren niet goed gaar, en iemand zei er iets van. Amy dacht: wat doen lamskoteletten ertoe? „O God, wij weten dat U bij machte bent ons voor struikelen te bewaren…”

Drukte over lamskoteletten – wat kan dat uitgedroogd voelen. Hoe zien we er van bovenaf uit, denk ik soms. Krioelende aardwormen, tot opbrandens toe bezig met hun huis, hun dieet, project ”kind” of project ”eigen bedrijf”. Preken over wel of niet vaccineren. Vergaderingen over klimaatbeheersing in het kerkgebouw. Verschroeide aarde, grond die tot barstens toe aan het uitdrogen is.

Vaak zijn we gewaarschuwd (ik althans wel) voor het streven naar geestelijke topervaringen. Voor het bijzondere moet je maar bijzonder goed oppassen. Daar zit ook wel wat in. Maar blus onze dorst niet uit. Fluister het door, fluister het met droge lippen naar de hemel: „We hebben regen nodig.”

Geplaatst in Uncategorized | 6 reacties

Stille zaterdag

Er is een boek dat ”Stille Zaterdag” heet, geschreven door Désanne van Brederode. Bijna tien jaar heeft het liggen wachten tot mijn column en deze dag samen zouden vallen. Tussen een gelovige vrouw (burgemeester) en een gelovige man (kunstenaar), allebei getrouwd, ontstaat een diepe vriendschap die langzaam meer wordt dan dat.

Maar wat je zou verwachten en meestal ook krijgt in een moderne roman –geheime afspraakjes, stiekeme kussen en uiteindelijk een gedeelde hotelkamer– gebeurt niet. Maurice en Sara hoeven niet geheimzinnig te doen, hun partners laten hen vrij. Bovendien delen ze alleen gedachten, niet het bed. Sara wil het goede huwelijk van Maurice beschermen, Maurice wil het Sara niet moeilijk maken. Toegeven aan verliefdheid doen ze niet.

Het is geen bestseller geworden, deze intellectuele roman. Hij valt wat tussen wal en schip. Voor seculiere lezers is het verhaal te braaf (een lange preek, noemde Literair Nederland het), voor veel orthodox-christelijke lezers een brug te ver. Vriendschap tussen een getrouwde man en een getrouwde vrouw, dat is toch spelen met vuur. Maar Maurice en Sara proberen het, drie jaar lang. Oprecht, in de overtuiging dat niets in hun doen en laten buiten Christus omgaat. Een kus tussen hen zou verraad aan Hem zijn. Een tweede judaskus.

Ten slotte verbreekt Maurice de vriendschap, dat lijkt hem het beste. Het leven wordt zwaar en grauw. „Niets, werkelijk niets hadden zij en hij misdaan. In al die jaren niet. Niet eens bij elkaar gehuild. En toch: gehuild. Om hetzelfde. Dezelfde. Om de smalle weg. De enge poort. Het verlies. De verlorenheid. Verlatenheid. Die van elkaar.”

Ze houden het niet vol. Zonder het van elkaar te weten, zoeken ze op dezelfde dag –Stille Zaterdag– weer contact en verklaren hun hart. Terwijl Sara de sms van Maurice leest, wordt ze geschept door een auto. Maurice verneemt het via het achtuurjournaal: ex-burgemeester Sara Mijland dodelijk verongelukt. Verslagen zit hij daar, tot aan het ochtendgloren, in totale stilte. Dan is er een stem achter hem, en het is niet de stem van Sara. „Tot het einde der tijden zal ik bij u zijn.”

Na drie dagen peinzen wist ik waarom dit boek me zo ontroert. Stille Zaterdag gaat over gelovigen tussen wal en schip. Mensen zonder goed verhaal. Te netjes voor grote zonden, te zwak voor echte heiligheid. Stille Zaterdag is de dag van alle mislukte volgelingen van Christus, zittend bij een graf. Het graf van wat dan ook. Van alles wat we niet hebben weten te voorkomen, of zelf hebben veroorzaakt. Gefaald in geloof, gefaald in de liefde en toen ook nog in de hoop. Zalig die zo treuren, want voor hen is het Pasen geworden.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Politikofobie

Ademloos hangen de jongens over de rugleuning van mijn stoel. Ze zijn getuige van een historisch moment: hun moeder vult op de stemwijzer in.

Op hun verzoek, en onder innerlijk protest. Doorgaans wenst ze geen enkele gedachte aan politiek te wijden, zelfs geen negatieve. Moet er gestemd worden, dan krijgt haar echtgenoot een machtiging in handen geduwd waar hij naar eigen goeddunken mee mag handelen. Zelf stemmen is haar niet toevertrouwd; ze zou kiezen voor het gezicht dat haar het sympathiekste overkomt.

Uit de stemwijzer komt SGP, en nog een partij die ik niet noemen zal. Ik vraag de oudste zoon wat hij van de SGP vindt. „Te weinig groen en te weinig cultuur. En er zitten te veel mannen,” voegt hij er losjes aan toe. „Dat abortusstandpunt zouden ze door een vrouw moeten laten verdedigen.” Daarmee weet hij me zowaar te verleiden tot een politieke gedachtenwisseling. Maar als ze een paar dagen later vinden dat ik nu ook wel een politieke column schrijven kan, deins ik achteruit. Politikofobie.

Voer je dat woord op google in, dan leidt de eerste beste Nederlandstalige treffer je naar ds. J.T. Doornenbal uit Oene. Die, al was hij wat politiek betreft „een hulpeloos kind”, in 1964 een lezing moest houden voor de SGP. Tegen elke verwachting in bleek het een alleraangenaamste avond te zijn, want „het had niets met politiek te maken en daarom was het waarschijnlijk zo goed.”

Ds. Doornenbal beschouw ik als mijn zielsverwant, al had ik hem soms een goede psycholoog gegund. Graag had ik hem nu uitgenodigd voor een a-politiek samenzijn op ons dakterras, waar je zomaar uit de tijd kunt vallen als je wilt. Hoog boven billboards en plakkaten verheven, zie je alleen nog de toren van de Bovenkerk. En de rode pannendaken, waar een streep wit licht op blijft liggen. De lucht is grijsblauw, en de zon draagt een sluier. Geen spoor van techniek. Alles staat stil, zelfs de toppen van de bomen.

In die stilte begint een specht te lachen. Alsof hij zegt: en nu het leven weer in. Dat is waar, want (anders dan bij Doornenbal) woont de toekomst onder mijn dak in de vorm van twee jongens die popelen om te mogen stemmen, die elk belangrijk debat volgen en wie weet zelfs van een politieke carrière dromen.

En ik ben hun moeder, dus ik zal hen volgen op dat pad. Ik zal luisteren, vragen stellen en stemwijzers invullen. Ik zal, mocht dat ooit nodig zijn, bidden als ze de leeuwenkuil van een media-optreden binnengaan. Zo vertelde Marlies van der Staaij het afgelopen week, dat ze dat doet voor haar Kees.

Mocht Marlies nog eens verkiesbaar zijn, dan ga ik op haar stemmen. Persoonlijk.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Januari

„Het is moeilijk de boekwinkel te verlaten op een dag in januari”, las ik ergens, „als de wind blaast, het ijs verraderlijk is en binnen de boeken dicht bij elkaar gekropen een kleurrijke warmte verspreiden.”

Wat een kille januarimaand is dit dan wel niet. We mogen de boekhandel niet eens bínnengaan. Behalve voor de pakketdienst: een oranje eilandje omringd door duistere boekenkasten die je aanstaren met een holle blik.

Zeker in januari moet je oppassen dat je je zoiets niet persoonlijk aantrekt. En dat de grijsheid van buiten niet naar binnen overslaat, zodat je innerlijk landschap elke kleur verliest. Zo’n landschap als in ”De weg” van Cormac McCarthey, dat ijzingwekkend mooie boek waarin een vader met zijn zoontje door een verbrande wereld trekt, in snijdende kou. Alles is bedekt met grijze as, versmolten en versteend.

Toch geeft zelfs dit boek warmte af. Dat heeft te maken met de relatie tussen vader en zoon. Het enige dat telt is dat ze elkaar niet verliezen. Ze zijn alles voor elkaar. Hier zou ik een Rutte-achtig punt kunnen maken: samen komen we er doorheen! Maar zo goed zijn wij niet in elkaar vasthouden. Het vuur in ons is snel gedoofd, zeker als de ander niet altijd reageert met liefde en dankbaarheid. Zeker als hij of zij zelf zo’n grijs, rotsachtig landschap is, waarop al je goede woorden lijken af te ketsen.

Ik denk aan William Cowper. Deze begaafde dichter vreesde de januarimaand, nadat hij op 1 januari 1773 in een diepe depressie belandde. Cowpers meest bekende lied is ”God gaat zijn ongekende gang, vol donkere majesteit.” Het gaat over wolken die we vrezen, maar die vol van zegen blijken te zijn. Vaak wordt gedacht dat Cowper deze mooie, troostrijke tekst schreef vlak na zijn diepe inzinking (en mislukte zelfmoordpoging). De realiteit is dat Cowper hier 27 jaar lang, tot aan zijn dood, niet meer bovenop kwam en dacht dat hij voorgoed van God verlaten was.

Toch was God er, in de gedaante van John Newton. Newton van ”Amazing grace”, die 27 jaar lang Cowpers hand bleef vasthouden. Het bijzondere is dat hij dit niet enkel deed als pastor, maar als vriend. Hij bleef waarde zien in William, hield van zijn talenten en moedigde die aan. Newtons geheim? „God heeft het aantal dagen bepaald waarop ik op hem wachten moet in deze duistere vallei, en Hij geeft mij de liefde zodat ik niet moe word.”

Wat een ”amazing love” voor een psychisch wrak als Cowper. Diens eigen liederen moeten hem vaak in het gezicht gevlogen zijn. Maar wat een warmte verspreiden ze, nu, op een grijze dag in januari. Godzelf vertaalt de duisternis in eind’lijk eeuwig licht.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Bijzondere mensen

In het voorwoord van de nieuwe Elisabeth Elliot-biografie (de Nederlandse vertaling komt eraan) beschrijft Joni Eareckson Tada haar eerste ontmoeting met Elisabeth. Joni, na een duikongeval verlamd tot aan haar nek, sprak die dag op een conferentie waar ook Elisabeth spreken zou.

Als Joni ’s avonds uitgeput op haar hotelbed ligt, stapt Elisabeth de kamer binnen. Ze vraagt zich af waarom Joni’s getuigenis zo bijzonder gevonden wordt. Zo bijzonder voel ik mij anders niet, denkt Joni, van „de verfomfaaide lakens half over mijn nutteloze ledematen” naar de geloofsheldin naast haar kijkend. Ze praten verder. Wat zegt het over het christendom, als het mensen die door lijden het merkteken van Christus dragen ”bijzonder” noemt? Het zou normaal moeten zijn. Wie Christus volgt, krijgt het kruis erbij. Dat zit in het pakket.

„Raap jezelf bij elkaar door de genade van God, hijs je kruis op je schouder, volg je Zaligmaker op zijn bloedbedropen pad naar Golgotha. En klaag niet.” Deze volstrekte no-nonsense benadering –Elisabeths handelsmerk– past nauwelijks in deze tijd. Misschien klinkt het zelfs kil, en toch zit er een vreemde troost en warmte in. We zijn niet bijzonder. Bijzonder betekent ook: alleen. Maar wij gaan in een lange rij. We horen bij een kudde.

Hieraan dacht ik tijdens de hoogoplopende commotie over bijzondere scholen, die mensen met een bijzondere geaardheid zouden afwijzen en buitensluiten. Wat zou Elisabeth zeggen? Kijk er maar niet van op. Natuurlijk worden we geframed, verkeerd geciteerd, van ons perceel geschopt, uit elkaar gedreven. Het zit in het pakket. Take it.

Maar nu draai ik de spiegel. Misschien maken wíj van homo’s (net als van singles) wel een te bijzondere groep: die met een relationele dwarslaesie. Geen partner, geen kinderen, geen seksuele gemeenschap. Maar juist in het christendom zou dat niet zo heel bijzonder moeten zijn. Er staat een bijna vergeten hoofdstuk in de Bijbel over alleen blijven als roeping, een betere roeping zelfs dan het huwelijk. Beide roepingen vragen om een offerend leven. We zouden één groot leger van geroepenen moeten vormen. Te herkennen aan een kruis dwars door onze eigen wil en verlangens heen. Niet om die te ontkennen, te vernietigen of af te wijzen, maar omwille van een grote liefde Die dat allemaal waard is.

Dat is wel een geheim. Hierop doelde Jim Elliot toen hij Elisabeth schreef hoeveel hij van haar hield, maar ook dat hij zeker wist dat Gods goedertierenheid beter is dan een verloving. Zulke geheimdragers trekken anderen aan. „Be like her” fluisterde het in Joni toen ze Elisabeth leerde kennen. Als het zo gaat fluisteren in de kerk – dat zou ik pas echt bijzonder vinden

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

De kunst van het dragen

Het leven is een vat vol moeiten. Maar er zijn moeiten die opgelost kunnen worden, en moeiten die gedragen moeten worden. Voor een pastoraal werker is het van cruciaal belang die twee van elkaar te leren onderscheiden. Om dit te oefenen werd onze klas verdeeld in oplossers en dragers. De rest bestond uit pastoranten, die met een (echt) probleem beurtelings langs een oplosser en een drager gingen.

Zo kwam ik tegenover David te zitten. David, die zich enthousiast had aangemeld als oplosser en toen pardoes op de stoel van drager werd gezet. Ik legde David een van mijn altijd voorradige problemen voor. Achter zijn voorhoofd gistten en borrelden de oplossingen, maar ze mochten er niet uit. David droeg het manmoedig. Hij droeg en droeg, wisselde belangstellende vragen af met invoelende opmerkingen, net zolang tot we elk schimmig hoekje en duister paadje van mijn probleem verkend hadden.

Het was fijn. Zo fijn dat ik David vroeg of hij toch niet een kleine tip voor me had. En daar knalde de kurk uit de fles, daar brak alsnog een oplossing met explosieve kracht naar buiten. Wat ons beiden verraste: het was geen ongeleid projectiel. Davids advies nam ik dankbaar mee naar huis.

Ik denk niet dat ik deze ‘oplossing’ zomaar had aanvaard als David niet eerst dat lange stuk met mij opgelopen was en zijn uiterste bereidheid om te dragen had getoond. In het samen dragen, het samen zoeken naar woorden, lag het geheim.

Niet altijd komt na regen zonneschijn. Niet iedereen ontvangt een genezingswonder. Of soms wel, om daarna opnieuw ziek te worden. Verloren ledematen keren nooit meer terug. Wat gebroken is groeit soms scheef weer aan, letterlijk en figuurlijk. De wonden van het leven te accepteren kan al heel genezend zijn, weten we intussen. Denk aan de populaire psychiater Dirk de Wachter, met zijn boek ”De kunst van het ongelukkig zijn”. De Wachter is het lezen absoluut waard, maar ik mis de verticale dimensie. Ik mis Iemand Die de hemel kan scheuren, Die kan afdalen in dat ongelukkig zijn van ons. Iemand Die Zijn ongekende gang gaat, vol donkere majesteit, maar uit grondeloze diepten licht weet te putten, en vreugde uit pijn. (William Cowper). Een bittere beker komt ons toe uit „Zijn goede, zijn geliefde hand” (Dietrich Bonhoeffer).

Het verrast mij altijd weer hoe ontvankelijk je wordt voor oude bekende woorden, hoe je erop terugvalt als andere hulp m’ ontbreekt, ’t geluk m’ ontvliedt. De dichters dragen je, helpen je de juiste woorden te vinden. Waardoor hun oplossing nooit goedkoop is, maar kracht geeft om „kloekmoedig voorwaarts” te gaan (Gezelle). Het leven is de kruisbanier tot in Gods handen dragen.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Distels en klaprozen

Mijn egoschrijverij kan me uit de slaap houden. Moet je zoiets niet tijdig ritueel verbranden? Jaloers kijk ik dan naar de indrukwekkende rij zwartlinnen boekjes (”dummies”) die openlijk in de studeerkamer staat, en die altijd geraadpleegd kan worden als er een bepaald feit boven tafel moet komen. Eens was ik benieuwd vanaf wanneer mijn naam zou voorkomen en opende de boeken uit onze studentenjaren. „Op het laatst alleen overgebleven met Chr. Dan geen haast.” Een beknopt zinnetje dat een complete bloem bevat. Hoe langer geleden, hoe meer die geurt.

Dagboeken – ze liggen bij mij altijd op de stapel. Als laatste de ‘diary’ van Andrew Bonar (1810-1892), Schots predikant. Bonar houdt het ook beknopt, maar is daarin heel kwetsbaar (al weet ik niet of hij dat woord hier zou herkennen). Hij registreert geesteloosheid bij zichzelf, maar ook momenten „within the veil.” Uren waarin hij met Christus verkeert als was er geen tijd, geen kerk en geen wereld meer. Wat opvalt, is dat bidden voor hem absoluut de hoogste prioriteit heeft. Hij noteert het dagelijks: nalatig geweest in het gebed. Of juist: vandaag drie uren kunnen nemen voor gebed. Of: een hele dag gevast en gebeden, vaak „in the woods.”

Aan het einde van zijn leven voelt Bonar zich onvruchtbaar en eenzaam. (Als je 150 jaar geleden een zwakke oude preekstem had, kwamen de mensen niet meer…) En toch, wat heeft hij veel nagelaten door juist dit soort dingen op te schrijven. Dagboeken voeden niet op, ze preken niet, ze strooien geen adviezen over je hoofd en toch zijn ze vaak pastoraler dan ooit. Zonder het zelf te beseffen, komen de schrijvers naast je zitten, worden je vriend, laten je weten dat je niet de enige bent.

Dat doet me gerust verder schrijven. God weet wie al die distels en klaprozen eenmaal tot zich nemen zal

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

Influencers

Iemand met verstand van schrijven zei me dat vrome hoofdpersonen saai zijn. Heilige boontjes inspireren niet. Kies liever iemand die de grenzen opzoekt, misstappen begaat. Maar stel dat dit de beginzinnen van een roman zouden zijn: „Vandaag bad ik een vreemd gebed. Ik sloot een verbond met mijn Vader dat Hij uit twee dingen zou kiezen: of Hij verheerlijkt Zichzelf in mijn leven op het hoogst, of Hij neemt mij weg. Hij hoorde mij –zo geloof ik– zodat ik nu niets anders meer verwacht dan een leven als offer, of dat ik snel in de hemel zal zijn.”

Dit is geen fictie, maar een citaat uit het dagboek van Jim Elliot, uit 1947. Jim hoort bij Elisabeth Elliot (1926-2015), de Amerikaanse zendelinge die me als tiener al fascineerde. Dus toen onlangs ”Devotedly” verscheen, een boek met dagboek- en brieffragmenten uit de jonge jaren van dit koppel, was ik er snel bij.

Jim en Elisabeth studeren nog als ze hun zielsverwantschap ontdekken. Ze begrijpen elkaar in heel veel dingen, maar allermeest in het brandend verlangen om te werken in Gods Koninkrijk. Prachtig, redeneren wij. Snel trouwen en dan samen de zending in. Maar zo denken Jim en Elisabeth niet. Zijn ze niet geroepen om single te blijven? Rond deze vraag ontspint zich een drama van jaren corresponderen, elkaar sporadisch ontmoeten en (steeds pijnlijker) weer afscheid nemen.

Let wel, gevoelens op de offertafel leggen is bij dit tweetal geen werkheiligheid. Het komt juist voort uit een nederig besef dat een heilig leven geen kwestie van doen is, maar van hangen aan de hals van God. Niets doen zonder aandachtig te luisteren naar Zijn hart. Niemand toestaan daar tussen te komen: familie niet, de geliefde niet, eigen verlangens niet. Bidden en Bijbellezen is een heilig avontuur: Wat spreekt God vandaag? Waarom zwijgt Hij? Welke weg wijst Hij mij?

Het is alsof je een andere wereld binnenstapt, een voorbije trage wereld van lange intieme brieven vol reflectie, van lang moeten wachten op antwoord. Tegelijkertijd bruist het, springen er vonken over, je hart leeft op! De Bijbelse doorkneedheid, de diepgang, de wijze volzinnen van deze ook weer humoristische twintigers – het maakt heimwee en verlangen wakker. Niet zij zijn saai, maar wij met ons oppervlakkig ge-app, ons afgevlakte, comfortabele geloof dat zo vaak van snelle conclusies leeft.

God gaf hun twee huwelijksjaren, toen nam Hij Jim weg. Elisabeth verheerlijkte Hem in een lang en heilig leven. Het is een bekend verhaal. En toch, die olijke Jim die ineens in de hemel was, en die bescheiden, haast verlegen Elisabeth – elke keer dat ik iets van hen lees, zit ik weer op het puntje van mijn stoel.

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Stemmeloos

Column in het Reformatorisch Dagblad, 27 maart 2020
Onlangs, toen lezingen houden nog heel gewoon was, stond iemand mij in de pauze op te wachten met een dun boekje. Lang laten bezinken, zei ze erbij. Dat zag ik toen somber in. Maar nu we ongeveer in huis opgesloten zijn en lezen plots tot de voornaamste dagtaken behoort, ben ik voorzichtig aan ”De stem van de stomme” begonnen.
Het verhaal speelt in Israël, aan het begin van onze jaartelling. Behalve een stomme jonge vrouw, Rachel, is er nog een dove, een blinde, een verlamde en een melaatse. In de woestijn treffen ze elkaar, wachtend op de helper die zieken schijnt te genezen. Als groep verblijven ze in een grot. Zelfs de melaatse mag erbij, want al raken ze daardoor allemaal besmet, wat geeft het? De helper zal elke onreinheid wegnemen. Er bloeit iets in deze woestijn: geloof, hoop en ook liefde. Ze praten met elkaar, ze helpen elkaar. Wat de een niet kan, kan de ander wel.
De helper komt en allen worden genezen. Zoals een vlinder de cocon afwerpt, zo laat de melaatse haar ziekte van zich glijden. „Je zult mijn getuige zijn”, hoort de stomme.
Maar dan. De genezen stomme wordt betrapt op overspel, redt zich door haar genezing te verzwijgen (een vrouw die niet om hulp roepen kan is immers onschuldig) en verraadt zich ten slotte toch doordat ze meedoet met de menigte die „Kruis hem, Kruis hem” roept… Dit is de mens, samengebald in 117 bladzijden. Zo’n boekje valt nauwelijks te analyseren. Het is als onversneden wijn; je moet het proeven, drinken en door je heen laten gaan.
Ik zie parallellen met het ‘verhaal’ waar we nu middenin zitten. Een verhaal met scherpe contrasten: zieke mensen en een jubelende natuur, holle kerken en bomen die duizend handjes blij omhoog steken. Mensen die elkaar angstig mijden en toch (virtueel) weer bij elkaar kruipen. We besmetten én helpen elkaar. We hamsteren en we delen uit. Allemaal zien we reikhalzend uit naar een helper.
Misschien veegt God onze agenda’s wel leeg opdat we het boek ”Corona” aandachtig zouden lezen. Het is rauw-realistisch van stijl. Het laat goede en mooie dingen zien, maar tekent de mensen zonder franje: sterfelijk, afhankelijk, angstig en als het erop aankomt volstrekt hulpeloos. En wat zullen we met de Helper doen zodra Die ons de adem en alle dingen teruggegeven heeft?
Maar zo eindigt ”De stem van de stomme” niet. Centraal in dat verhaal hangt de helper, zich stom houdend om Rachel te redden. De man met het geschonden gezicht, meer dan iemand anders, vertrouwd met ziekte. Nog altijd hangt Hij daar, hoog opgericht in elke tijd, in elk verhaal. Zwijgend van liefde, onafgebroken bezig om allen tot Zich te trekken.
Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie