-
Meest recente berichten
Recente reacties
Anoniem op Bidpijn Evert Roeleveld op Bidpijn Anoniem op Bidpijn Anoniem op Bidpijn Anoniem op Yorkshire Tales Archief
- december 2025
- oktober 2025
- september 2025
- juni 2025
- mei 2025
- maart 2025
- februari 2025
- december 2024
- november 2024
- september 2024
- juli 2024
- mei 2024
- maart 2024
- februari 2024
- januari 2024
- december 2023
- september 2023
- augustus 2023
- juli 2023
- mei 2023
- april 2023
- februari 2023
- januari 2023
- december 2022
- oktober 2022
- september 2022
- juni 2022
- mei 2022
- april 2022
- maart 2022
- januari 2022
- november 2021
- oktober 2021
- juni 2021
- april 2021
- maart 2021
- januari 2021
- november 2020
- oktober 2020
- juni 2020
- mei 2020
- april 2020
- februari 2020
- januari 2020
- december 2019
- november 2019
- oktober 2019
- september 2019
- augustus 2019
- juni 2019
- april 2019
- maart 2019
- januari 2019
- december 2018
- november 2018
- september 2018
- juni 2018
- mei 2018
- maart 2018
- februari 2018
- januari 2018
- november 2017
- oktober 2017
- september 2017
- juli 2017
- mei 2017
- april 2017
- maart 2017
- februari 2017
- januari 2017
- november 2016
- oktober 2016
- september 2016
- juli 2016
- mei 2016
- april 2016
- februari 2016
- januari 2016
- december 2015
- november 2015
- oktober 2015
- september 2015
- augustus 2015
- juli 2015
- juni 2015
- mei 2015
- april 2015
- maart 2015
- februari 2015
- januari 2015
- december 2014
- november 2014
- oktober 2014
- september 2014
- augustus 2014
- juli 2014
- juni 2014
- mei 2014
- april 2014
- maart 2014
- februari 2014
- januari 2014
- december 2013
- november 2013
Categorieën
Meta
De hoop is een klein meisje
„Zie mijn vrienden!” zei de antiquair vanachter zijn bureau, een eenzaam eilandje te midden van oprijzende boekenkasten. „Dit is goed gezelschap.”
„Ze keren u wel allemaal de rug toe”, zei ik. Die had ik niet van mezelf, maar dat zei ik er niet bij. Verontwaardigd ging hij staan. „Uw geslacht wordt wijs door luisteren, niet door debatteren!” Bij die laatste woorden viel zijn stok. Ik raapte hem op. „Goed zo”, zei hij. „Zéér vrouwelijk.”
Wijs worden – luisteren – dienen – vrouwelijk, krabbelde ik op de terugreis in een notitieboek. Onlangs sprong dit laatje van herinnering weer open. Ik ontdekte Margriet van der Kooi. Rijkelijk laat volgens sommigen, want zij is nét iets voor mij. Dat klopt. Maar laat, daar hebben we het nog over. Margriet is goed gezelschap voor een saaie huisvrouw. Antiquairs spreek ik al jaren niet meer. Nu zit ik ineens met een vrouwelijke dominee op de bank. Principes dienaangaande heb ik maar even naast de oliebollen in de vriezer gelegd. Eerst luisteren naar haar wonderlijke verhalen.
Ds. M. A. Th. van der Kooi-Dijkstra is geestelijk verzorger in het Zuwe Hofpoort Ziekenhuis in Woerden en in het Regionaal Psychiatrisch Centrum Woerden. Ze zit aan sterfbedden en praat met suïcidalen. Mooi en ingetogen vertelt ze over haar ontmoetingen in ”Het kleine meisje van de hoop”, haar nieuwste boek. Dat meisje komt uit een lang gedicht van Charles Péguy, een dichter die stierf in de loopgraven, 1914-1918. „Het geloof is een trouwe bruid / De liefde is een toegewijde moeder / Maar de hoop is een heel klein meisje…” Van der Kooi noemt zich graag vroedvrouw. Haar plaats is daar waar alle maskers afgaan, waar mensen worden wat we uiteindelijk allemaal zijn: nietig en kwetsbaar. Alleen nog voorwerpen van genade. Maar uit stukjes verhalen van mensen, scherven soms maar, „luistert” Margriet af en toe „iets nieuws tevoorschijn”. Iets van verlangen. Iets waar alleen God het antwoord op is.
En juist daar waar dood en eindigheid het laatste woord lijken te hebben verschijnt tot je ontroering dat kind. Dansend, opgelucht lachend, of nadenkend knikkend duikt ze steeds weer op, de kleine hoop.
(Bijbel)lezen en veel luisteren hebben Van der Kooi wijs gemaakt. Ervan uitgaande dat ze ook een vallende stok uit een bevende hand wel zal oprapen, kun je wel van een ”zéér vrouwelijke” dominee spreken. Misschien moesten we er daar meer van hebben.
De juiste boeken komen vanzelf naar je toe, zei de antiquair nog. Blue Monday nadert, de meest deprimerende dag van het jaar. Goede voornemens zijn al mislukt en de zomer is nog ver. „O makker in ditzelfde grauw getij / Nog altijd komt het kind tot jou en mij”, reciteert Margriet. Dit is de tijd om ”Het kleine meisje van de hoop” te lezen. Ik zie haar al enthousiast knikken.
Geplaatst in Uncategorized
1 reactie
Katjes, reeën en ezels
De nieuwste RD-column:
Veracht de dag der kleine dingen niet. Zoiets dacht ik toen, na een bijna Kaïn-en-Abelachtige vormen aannemende rivaliteit, onverwacht verbroedering optrad tussen mijn twee zonen. Niet door een Zwaar Gesprek, niet door dat ene Pedagogisch Inzicht waar ik op hoopte. Maar op kousenvoeten, in het gewaad van een oud monopolyspel uit een stoffige kringloop, kwam de vrede het huis binnen.
Nog zoiets. Geplaagd door veelvuldig nachtbraken begon ik al aan een slaapkliniek te denken. Tot een fikse avondwandeling voor een diepe droomloze slaap zorgde. Hoopvol gestemd maakte ik mijn tweede ommetje. In een bocht van het pad zat een guitig jong katje. Even meende ik een knipoog te zien. Een sprookjesdier was het, met het licht van de supermaan in zijn zilvergrijze vacht.
Ik dacht aan wat een zwaar beschadigde vrouw ooit vertelde. Hoe ze in haar rolstoelauto door de schemer van november reed, dacht: „Als ik nu het gas intrap en op de andere weghelft ga rijden, is het snel voorbij…” en toen die ree zag staan die haar bewegingloos aanstaarde met het licht van haar koplampen in zijn vochtige bruine ogen.
Ik weet niet of zulke ‘kleine’ verhaaltjes zich verdragen met onze geroemde Hollandse nuchterheid, maar Ida Gerhardt wist er poëzie uit te halen. Met dank aan katjes, reeën, en (in haar geval) een ezel. „Gij met uw zachtzinnige oren / en uw geduldig gezicht: / ik ben u zeer verplicht. / Dat gij het hebt aan willen horen / hoe toenmaals het is geschied; / en hoe mij de ander verried. / En dat ge zelfs niet hebt bewogen, / mij slechts hebt getroost met uw ogen. / Dat kunnen de mènsen niet.”
Op dat laatste zinnetje is wel wat af te dingen. In krommingen van het levenspad kun je ongedacht oog in oog staan met een menselijke ‘ree’ of ‘ezel’. Mensen met zachtzinnige oren, die luisteren en begrijpen. Die je in hun voorbede betrekken, soms zelfs lang voordat er ook maar iets gedeeld of uitgesproken is. Wanneer de ene ziel aan de andere verbonden wordt, zoals bij David en Jonathan, gebeurt dat in stilte, zonder mensenhanden. Echte zielenvriendschap is een wonder.
Zoals je sprekende ezels kunt wegredeneren, kun je een liefde die wonderlijker is dan die voor een man of vrouw verdacht maken door haar (bijvoorbeeld) seksueel te duiden. Maar dan mis je het geheim dat in het kleine en gewone, het grote en heilige zich aan je tonen wil. In de roman ”Gilead” van Marilynne Robinson zegt de oude dominee John Ames: „Als we goddelijk gevoed kunnen worden door een stukje brood en goddelijk gezegend met een aanraking, dan leert de onuitsprekelijke blijdschap die we vinden in een bepaald gelaat ons zeker iets over de aard van de allerhoogste liefde. Dat geloof ik oprecht.” Dat kunnen de díéren niet.
Geplaatst in Uncategorized
Plaats een reactie
Mintijteer
“Wie zozeer de aanwezigheid van God heeft geproefd, op de diepste bodem, daar waar leven bijna niet mogelijk is, waar de angst als duizend pissebedden de kleinste gaten en spleten zoekt om bij je binnen te kruipen, wie één keer in de vuurkring die God om ons heen kan trekken heeft geleefd, daar waar geen andere macht toegang heeft, die heeft geen woorden meer voor God. Voor zo iemand is God werkelijker dan een steen. Die kan op den duur niet meer discussiëren over het bestaan van God, want dat is gewoon absurd.”
Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van afgelopen zaterdag:
Waar water stroomt, verschijnen dijken. Waar bejubeld wordt, is de kritiek niet ver. Altijd weer dat ritme: woord en weerwoord, stuw en dam. Gezangen? Houd het toch bij de psalmen! De mooiste roman sinds jaren? Stilistisch een prul! Er is niets nieuws onder de zon, en niets verontrustends aan de einder. Zolang er tussen stuw en dam maar geen ijskoud meer ontstaat, waarin alles wat lieflijk en welluidend was stilletjes verdrinkt.
Laat dat met ”Mintijteer” niet gebeuren, in elk geval. Hoewel lieflijk en welluidend niet het eerste is waar je bij deze roman aan denkt. ”Mintijteer” is het rauwe verslag van diepe rouw, geschreven door een nog jonge Duitse auteur die zich als puber „heel zachtjes” van God losmaakte, weer begon met bidden toen haar vader kanker kreeg en na diens overlijden opnieuw door een dal ging toen ook haar broer ongeneeslijk ziek bleek te zijn. Maar voor wie het uiteindelijk glashelder werd: God bestaat.
Na recensies vol ontzag en de enthousiaste ervaringen van lezers kwam –je kon erop wachten– de dam. De tegenstem. „Mierzoete titel.” „Schreeuwend taalregister.” „Laat te weinig ruimte aan de lezer.” Dat laatste snap ik wel, want ook ik heb het boek ergens halverwege weg willen leggen. Zo veel emotionele erupties, de ene braakgolf na de andere. Over God, de mensen, de kerk. Magnis bedient zich graag van ferme taal, waar ik eerlijk is eerlijk ook nogal eens om gegrinnikt heb.
Maar heeft een boek geen ziel? En moet je naar die ziel niet meer luisteren dan naar de zinnen op zich? Zoals je een mens in een diepe crisis laat uitpraten, al vindt hij de goede en welgevoeglijke woorden niet. Zeg je dan: „Iets subtieler graag”? Je wacht en weet: dit proces is nodig. Bij Magnis heet het zelfs ”Eine Bekehrung”. Het Bijbelboek Job had kunnen eindigen bij het prachtige vers: „De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij geloofd!” Waarom nog die eindeloze klachten, waar zijn vrienden van walgen? Fijn om te horen (lezen) is het niet. Elke uiting van twijfel jegens God, hoe menselijk ook, is en blijft zonde.
Maar bij Job én bij Esther Maria Magnis druipt het oog… tot God. Een oog waar het vuil uit moet om Hem te kunnen zien in Zijn schoonheid en onbegrijpelijke grootheid.
Zo kunnen er in deze moderne roman een paar onvergetelijke Godservaringen staan. Heel mooi subtiel beschreven. Heel voelbaar is de eenzaamheid die het gevolg ervan is, want je kunt uiteindelijk niemand uitleggen hoe gelukkig, en hoe zeker… „En ook mij bemint Hij teer.”
De „mierzoete” titel van dit boek is ontleend aan een gezang. De ziel ervan zingt Datheen: „Al de grote waterstromen zijn Heer’, over mij gegaan/ en mij over ’t hoofd gekomen; maar Gij hebt mij bijgestaan.”
Geplaatst in Uncategorized
2 reacties
Bekentenissen

De vrouw met wie ik samenleefde, was van mijn zijde weggerukt, omdat ze als een beletsel gold voor een huwelijk, en op de plek waar mijn hart aan haar had gehangen, was het stukgetrokken en verwond en bleef het maar bloeden. (Belijdenissen, VI, xv, 25)
Begin 2016 verscheen ‘Confessions of X’, een historische roman over de onbekende geliefde van Augustinus, bisschop van Hippo, theoloog, filosoof en kerkvader. Auteur is Suzanne Wolfe, die niet alleen romans schrijft maar ook creatief schrijven doceert aan Seattle Pacific University.
‘Er is geen heilige zonder verleden’, het motto voorin het boek, is een citaat van Augustinus zelf. Nu mag ik altijd graag wroeten in verledens, en wel van heiligen in het bijzonder, dus zag ik uit naar de Nederlandse vertaling van ‘Confessions of X’ – ‘Bekentenissen’. X en ‘De vrouw met wie ik samenleefde’ zijn dezelfde. Zo’n met geheimzinnigheid omkleed gegeven vraagt om een roman, dat begrijpt iedereen. Maar waar de feiten summier zijn, moet veel ingekleurd worden. X heeft in de historieblaân zelfs geen naam gekregen.
Die krijgt ze van Wolfe evenmin, hoewel er wel wat koosnaampjes circuleren. Haar jeugdvriend noemt haar Najade, waternimf. En voor haar vader (een begaafde mozaïeklegger) is ze Vogeltje. Via de blik van Augustinus laat Wolfe ons een aantrekkelijke, scherpzinnige jonge vrouw zien. Maar krijgt ze ook echt een gezicht, een stem, een naam waarbij liefhebbende lezers haar kunnen gaan noemen?
Wolfe kan schrijven, dat staat buiten kijf. Hoe ze mensen van verre tijden tot leven wekt, gehuld in geuren, kleuren en stoffen. Hoe ze scherpe observaties afwisselt met filosofische mijmeringen. ‘Lang geleden zag ik in Rome een vrouw die zo oud was dat haar huid gegroefd en gekneed was, zoals God de wereld maakte. Ze was aarde, wortel en steen, en gebouwen wierpen hun schaduwen over het plein als in een zwijgend eerbetoon. Die vrouw ben ik geworden…’ Prachtig. Zo’n stijl is een eerbetoon aan de hoofdpersoon, de man die zo’n beroemd traktaat over schoonheid schreef. De toon van Augustinus’ ‘Belijdenissen’ klinkt erin door.
Verder is Wolfe goed in haar bronnen gedoken: allerlei gegevens uit de ‘Belijdenissen’ heeft ze passend in haar verhaal verwerkt. Zijn jeugd(zonden), zijn vriendschappen, de band met zijn moeder, de filosofische gedachten die hij als Manicheeër had. Met als rode draad zijn zoektocht naar ware schoonheid. ‘Onrustig is het hart totdat het rust vindt in U, o God.’
Die onrust is voelbaar in de roman, ondanks het bijna volmaakte geluk dat deze twee mensen samen beleven. (Voor de geloofwaardigheid had Wolfe trouwens wel wat dissonanten mogen inweven; zo’n man als ‘haar’ Augustinus dromen we ons allemaal) X merkt het wel, dat Augustinus iets zoekt wat hij nog niet gevonden heeft. Maar hun band is zo hecht en de liefde zo groot dat ze aanvankelijk niet echt bang is hem kwijt te raken. Zeker niet als hun zoon geboren wordt: Adeodatus, Godsgeschenk. Voor beiden een nieuwe bron van veel geluk.
Toch heeft Augustinus van meet af aan duidelijk gemaakt dat ze hoogstens zijn concubine kan zijn. Wil hij een goede maatschappelijke positie krijgen, dan zal hij ook een vrouw van stand moeten trouwen. Vogeltje is niets, behalve arm en wees. Maar dat geeft niet, zolang de twee niets meer verlangen dan ‘liefhebben en geliefd worden’.Het wordt anders als Augustinus met steeds meer tegenzin zijn lessen gaat geven, een andere betrekking zoekt, en ze ten slotte gedrieën naar Rome verhuizen. Daar maakt Augustinus kans op promotie, mogelijk kan hij zelfs de rechterhand van de keizer worden. Maar concubines duldt die niet, hoort X al snel.
Suzanne Wolfe maakt van X een sympathieke vrouw, die zichzelf steeds duidelijker de vraag stelt of ze niet opzij moet gaan voor Augustinus’ welzijn en geluk, of ze die allergrootste liefde kan opbrengen die, zoals moeder Monica het noemt, zelfs wil sterven voor vrienden (Johannes 15).
Juist op dit punt, waar het verhaal echt diepgang had kunnen krijgen, vlakt de roman af. Vrij snel neemt X haar beslissing. Augustinus spreekt haar nauwelijks tegen. Zowel hij als X laten de rolluiken zakken: ze praten amper met elkaar en gaan ieder hun eigen weg. Hun pijn wordt wel benoemd, maar niet genoeg voelbaar gemaakt. Je zou met X mee willen denken: wat gaat er allemaal in haar om? En Augustinus: wat zijn zijn overleggingen, wat bespreekt hij met zijn vrienden? Je komt er niet goed achter. Gezien de zielsliefde tussen de twee, moet dit een onmogelijke beslissing zijn. Het ingehouden afscheidsdrama dat Wolfe toont is niet evenredig hieraan. X zegt man en zoon vaarwel en vertrekt naar Afrika. Verdoofd door verdriet, dat wel. Maar dat lijkt dan ook haar enige emotie te zijn.
Dat is bevreemdend, en des te meer als haar op zekere dag de boodschap bereikt dat Augustinus de verloving met een andere vrouw verbroken heeft en een onherroepelijker verbintenis is aangegaan: als verloofde van God! X wist dat bisschop Ambrosius indruk op hem gemaakt had, maar in de roman wordt tussen hen daarover niets besproken. Dit bericht moet, vanuit haar perspectief in deze roman, toch een soort donderslag bij heldere hemel zijn geweest. Opnieuw is X verdrietig. Maar zou ze zich niet vooral belazerd moeten voelen? Boos, verward? Of moet ik hier als lezer mijn 20e eeuwse bril afzetten..?
Jezelf opofferen voor de carrière van je geliefde is een ding, maar dat offer brengen omwille van een andere Geliefde ‘Die zijn haak in zijn hart geslagen heeft’ zoals Augustinus vader X waarschuwde, daarvoor moet je zelf ook door die hoogste Liefde gegrepen zijn. En ook dan kan het proces lang, bitter en pijnlijk zijn.
Welke plaats God in het leven van X heeft, blijft lang onduidelijk. Als Adeodatus op bezoek komt en met zijn hoofd in zijn moeders schoot vertelt over zijn vader, lijkt X aan Zijn kant te staan. ‘Hij was verslagen toen u weg moest,’ zei hij. ‘Maar dat was nodig om bij God te komen. Hij moest verliezen wat hem het dierbaarst was om te kunnen vinden waar hij zijn hele leven naar op zoek was. Begrijpt u dat?’
‘Ja, mijn zoon,’ antwoordde ik en ik streek door zijn haar. ‘Ja.’
Maar. Aan het einde van het boek maakt Wolfe concreet: X vereerde de Punische goden waarmee ze was opgevoed niet meer, maar diende ook de God van de christenen niet. ‘Die had me veel te veel afgenomen.’ Ik krijg haar maar niet goed in beeld. X, wie ben je nu eigenlijk precies? Wolfe, wat wil je ons vertellen?
‘Jouw opoffering wees me op het offer van Christus, die zo volmaakt liefhad dat Hij aan het kruis wilde sterven om arme zondaars zoals ik te redden. Dat je wegging was verschrikkelijk voor mij – iets ergers heb ik nooit meegemaakt – maar er is iets heel moois uit voortgekomen. Althans, ik begin dat moois te ervaren, ook al word ik nog al te vaak belaagd door angst en twijfel en verlangen. Ik verlang zo naar je dat ik soms bang ben dat ik mijn verstand verlies.’ Dit laat Wolfe Augustinus schrijven, in een laatste brief aan X. Opnieuw prachtige woorden, geheel in lijn met de Belijdenissen. Maar de vraag is of ze het hart van X bereikt hebben.
Mijn laatste vraag is waarom Wolfe X geen christen liet zijn, of worden. Dat klinkt wellicht drammerig, en dat zou het ook zijn bij een willekeurige andere roman. Je beoordeelt een roman, een personage ten slotte op wat het is, niet op wat het niet is. Maar dit lijkt me een ander geval. Was het niet natuurlijker geweest om X wel in God te laten geloven? Dat is niet zomaar een persoonlijke voorkeur van mij. Ook de ‘Belijdenissen’ geven er aanleiding toe. Het zit ‘em in één woordje:
Zij was naar Afrika teruggekeerd en had u(!) beloofd geen andere man meer te zullen kennen. Waarom zou X iets beloven aan God als ze toch niets met Hem kan? De voetnoot van hertaler Gerard Wijdeveld bij deze regel: ‘Men kan wel veronderstellen dat Augustinus’ gezellin, van wie moeilijk valt aan te nemen dat ze vroeger zijn manicheïstische overtuigingen niet min of meer gedeeld had, katholiek was geworden, of liever, tot de Kerk was teruggekeerd: anders had Augustinus wel ‘beloofd’ zonder meer gezegd.’
Resterende vragen. Die temperen mijn bewondering voor dit mooi geschreven boek, met zo’n diep thema. Wie over ware liefde en opoffering schrijft, schrijft hoog en diep, dat kan niet anders. Alleen al daarom blijft dit verhaal je bij. Maar het had nog onvergetelijker kunnen zijn als X wat minder X gebleven was, en een nieuwe naam gekregen had.
Wij zijn voor God gemaakt. Slechts omdat onze aardse geliefde in een bepaald opzicht op Hem leek, een manifestatie was van Zijn schoonheid, barmhartigheid, wijsheid of goedheid, kon hij of zij onze liefde wekken. Wij hebben hen niet te veel liefgehad, het is meer dat we niet doorhadden wat we nu eigenlijk liefhadden. Van ons zal niet gevraagd worden dat we ons van hen die ons zo lief en vertrouwd zijn afkeren en ons tot een vreemde wenden. Integendeel, wanneer wij Gods aangezicht zien zullen we weten dat we het altijd al gekend hebben. Van al onze aardse ervaringen van onschuldige liefde maakte hij deel uit, hij schiep ze, onderhield ze en bewoog zich er elk ogenblik in. Alles wat in onze liefdes ware liefde was, was ook op aarde al veel meer van Hem dan van ons, en ook alleen maar van ons omdat het van Hem was.
(C.S. Lewis in ‘De vier liefdes’. Jammer dat Augustinus en hij elkaar niet gekend hebben 😉
N.a.v. “Bekentenissen” – Suzanne Wolfe – uitgeverij Mozaïek – 2016. Met dank aan de uitgever voor het leesexemplaar.
Geplaatst in Uncategorized
2 reacties
Dominee komt met de trein
Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Er ligt een achtjarige jongeling op zijn buik, naast een stapel kerkelijke jaarboeken. Hij proeft exotische namen en spelt fascinerende getallen. Het kerkelijk verleden huist in zijn kleren en zijn haar. Hoksbergen, Verhagen, Van Haaren… het ‘rijtje’ uit Kampen zit er als eerste in. Maar eigenlijk is alles interessant. „Mam, weet u waar dominee Vergunst woonde? Mussentiend 10!!”
Aan tafel ontstaat een nieuw spelletje. De jongeling roept een straatnaam en zijn vader probeert de bijbehorende gemeente op te dissen, met de kennis die híj rond 1989 buikliggend vergaarde.
Op zondagmorgen, nadat onze predikant een paar ontvangen beroepen heeft meegedeeld, wordt mij toegesist dat gemeente x het in elk geval niet zal worden „want daar hebben ze maar 293 leden.” Een uitgelezen kans om op de terugweg uit te leggen dat het zo niet werkt.
Tweeërlei reactie is mogelijk op bovenstaand verhaal. Men smult ervan of men ijst ervan, afhankelijk van de binding met het kerkverband. Ik was mijn handen in onschuld. Het zijn gewoon de genen. Het spelletje met vader zou ook met opa gespeeld kunnen worden, die nog gegevens uit 1952 paraat heeft. Ik deed er niets toe. En ik schroom om er wat af te doen. Die ongereptheid van een kinderziel – het heeft iets helends.
Hij vraagt me te bidden om meer predikanten – die zijn er veel te weinig. Zelf zou hij daar op den duur ook graag bij horen. Het komt niet over mijn lippen dat er dan wel wat hobbels te nemen zijn, te beginnen bij zijn voorliefde voor felgekleurde kleding. Ik zeg hem dat hij een auto zal moeten kopen, waar hij van jongs af aan al op tegen is (ook iets met genen). Maar daar ziet hij de noodzaak totaal niet van in. Eens sloot hij het kerkjespelen af met de mededeling „Volgende week zal ds. K. uit A. in ons midden voorgaan… en hij komt met de trein!”
Driftig bladert hij in het gloednieuwe jaarboek. „Kijk, er zijn best veel gemeentes met een station. En er zijn juist géén dominees!” Breng daar maar eens iets tegenin.
Op een avond vraagt hij of ik denk dat het echt een keer zal gebeuren: hij dominee worden. Leunend op een elleboog kijkt hij scherp naar mijn gezicht. „Ik weet het niet zo goed.” „Hoopt u het wel?” Bij het verlaten van de slaapkamer hangt er een molensteen om mijn hals. Er is een stukje geschiedenis dat zich niet voor niets van generatie op generatie in geheugens gegrift heeft: het kind dat Jezus Zijn discipelen ten voorbeeld stelt. Het denkt waarschijnlijk maar één ding: hoe klein het zelf is en hoe groot die ‘reuzen’ om hem heen. Maar achter hem staat Jezus. En precies op die plek, zo alleen in het midden, is alles mogelijk.
Geplaatst in Uncategorized
5 reacties
Kosmosjes

Mijn column in het Reformatorisch Dagblad van 21 mei 2016
Hoe meer je inzoomt op een microkosmos hoe universeler je verhaal, aldus een befaamde romanschrijver. Als kind keek ik vaak naar het gezicht van mijn oma. Aan weerszijden van haar mond liepen twee neerwaartse lijntjes die haar iets smartelijks gaven, ondanks haar opgewekte aard en aanstekelijke lach. Door een map met oude krantenknipsels viel er iets op z’n plaats. Wemeldinge, 1942. Een Engelse bommenwerper die neerkwam op een woonhuis en zeven personen uit één familie doodde: de moeder, twee zussen, twee broers en twee logerende nichtjes van mijn oma, zelf nog maar kort getrouwd. De microkosmos van mijn oma’s leven, in een paar lijntjes samengevat. Nog wat dieper ingekerfd door het verlies van een vijfjarig zoontje in 1947 en een broer tijdens de ramp van 1953. In een oud interview lees ik dat er bijna geen dag voorbijging of ze dacht aan die ene nacht in 1942. Nu ik de leeftijd krijg om naar het hoe van zo’n grote klap te kunnen en durven vragen, leeft ze niet meer.
Maar er waren er zo veel meer, van die kosmosjes met de vlag permanent halfstok. Het oorlogsdagboek van Jeanne Tunderman –alleen achtergebleven nadat haar echtgenoot ds. J. W. Tunderman wegens verzetsactiviteiten naar Dachau moest– laat me inzoomen tot waar ik bijna niet durf te kijken. „En wij, eenzame vrouwen, met het hart altijd ver van de plaats waar wij vertoeven, wij kennen zo veel gedachten die ons bestormen.” Elk uur, elke minuut denkt Jeanne aan Wim. Hun huwelijk moet een wonderlijke eenheid zijn geweest. Ik sluit niet uit dat ze elkaar zelfs op afstand aangevoeld hebben. Nog onwetend van Wims dood op die dag schrijft Jeanne zich op tweede kerstdag 1942 helemaal leeg. „Het is zo moeilijk, zo moeilijk, zo ontstellend leeg en droef.” Haar onzekerheid en „heftig begeren” zijn zó persoonlijk, en zó universeel. Al zegt ze in ieder fragment ongeveer hetzelfde –dat ze zonder Wim niet leven kan– alle malen ween je. Toch is het geen deprimerend boek. Denken aan Wim is denken aan God. En misbaar maken. En hopen. En loven. Alles tegelijk. Niet: af en toe God ervaren in plaats van pijn, maar God ervaren ín de pijn. Kan een hart het begeven van verdriet? Jeanne overleeft Wim een paar maanden. Dan is het verlangen naar bruidegom en Bruidegom in één moment vervuld.
Inzoomen op ‘foute’ predikanten in oorlogstijd, zoals in recente publicaties gebeurde, kan „ontzettend depressief” maken (dr. B. J. Spruyt). „Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.” Het is zaak de kijker af en toe te verplaatsen. Want wie van Jeanne Tundermans piepkleine universum opkijkt naar het firmament, kan alleen nog maar denken: hoe helder staat de Morgenster.
Geplaatst in Uncategorized
Plaats een reactie
Zeg het Petrus

Soms heb je van die dromen… Freud zou ervan smullen. Ik bleek een preekbeurt te hebben afgesproken. Ergens in de mistige periferie van deze droom was deze beslissing genomen; het waarom ervan bleef onopgehelderd. Ook voor mezelf. Knagende verwarring deed mij de desbetreffende broeder ouderling telefoneren. Was dit wel een goed idee? Wat trekt een vrouw voor zo’n gelegenheid eigenlijk aan? Hoe kapt ze heur haar? We moesten er maar niet aan beginnen, zei hij op vaderlijke toon. Wist ik wel hoe dat klinkt: een vrouw op de kansel? De pijnlijk treffende imitatie die volgde, deed de (kansel)deur dicht. Dit moesten we inderdaad maar niet doen. „ Blijf jij maar stukjes schrijven.” Ik voelde me bedroefd en goed.
Bij het ontwaken schoot me te binnen welk argument ds. J. T. Doornenbal ooit inbracht tegen de vrouw in het ambt: „
Een beetje man wordt hels als hij door een vrouw tot de orde en tot bekering wordt geroepen.” Ik zal het de gereformeerd-vrijgemaakte werkgroep ”man, vrouw, kerk” nog eens influisteren.
Toch komt ze elk jaar in alle kerken langs: Maria Magdalena. En geen enkele predikant, hoe beginselvast ook, zal ontkennen dat deze zuster door Jezus Zelf erop uitgestuurd wordt om haar broeders tot de orde te roepen. De nieuwe orde! Alles is nieuw geworden, ook de zuster zelf. Dat is wel nodig ook. Want een beetje vrouw wordt hels als haar (emotioneel) gedeelde ervaringen door mannen worden afgedaan als „ ijdel geklap.” Maar „ Christus schept er behagen in om het zoete gevoelsleven bitter te maken”, schrijft de puritein Richard Sibbes, „ om Zijn kinderen te wennen aan een leven uit geloof.” Dát is Maria Magdalena’s opstanding: uit haar overmatige verdriet, uit haar zelfgerichte emoties en haar hoewel oprechte toch ook wel claimende liefde. Nu kan ze –gezalfd met de liefde van Christus Die om zondaars te bevrijden zwaar wilde lijden– naar de broeders.
En naar Petrus, met name! Een heel beetje man, lijkt me zomaar. Maar ”Petrus” staat hier ook voor: door de bodem van het ambt heen gezakt, meer beloofd dan waargemaakt kon worden, de waarheid verdraaid om de scherpe tong van een paar jonge vrouwen. Bittere pijn, niet door mensen maar alleen door Jezus’ oog, vlak voor Zijn dood, gezien en gepeild. Onopgeloste schuld, uitzichtloos verdriet.
Diezelfde Petrus komt (volgens Lukas 24) op het woord van een vrouw in de benen, loopt naar het graf, ziet de doeken en gelooft: het is allemaal waar. Mannelijke en vrouwelijke tobbers vinden elkaar bij een open groeve. „ Wij blijven verwonderd staan / en met wie Gij liefhadt vertoeven. / Hij die U het meest bedroefde / mag het eerste naar binnen gaan.” Het zij ‘Petrus’ bij dezen maar weer gezegd.
Geplaatst in Uncategorized
5 reacties
Sara nevens
De nieuwste column, vandaag verschenen in het Reformatorisch Dagblad:
Soms komt mijn man thuis met de opmerking: „Ze zeggen dat je weer een mooi stukje geschreven hebt.” Boze tongen beweren dat zo’n huwelijk niet in orde is. Delen die twee alles wel? Leven ze niet langs elkaar heen?
Nu, vorige week was ik er in elk geval bij toen de door mijn wederhelft hertaalde ”Redelijke godsdienst” van Wilhelmus à Brakel gepresenteerd werd. Ze zeggen dat het een voortreffelijke hertaling is. Nu ben ik dus „de vrouw van.” Vernederend? Het „stil” zijn van de vrouw –tegenover de „lerende” man– heeft ook wel iets vorstelijks, vind ik.
Waarom zou je nog woorden gebruiken als je aanwezigheid al genoeg is? Denk aan koning Arthasasta, die wonderlijk positief op Nehemia reageert, „daar de koningin nevens hem zat.” Subtiel! Wanneer hij met Wilhelmus verkeerde, probeerde ik te schitteren door stilheid, in de kamer benevens.
Op zekere avond leek het me wel aardig om Sara Nevius te leren kennen – „de vrouw van.” Nevius –haar achternaam is de verlatiniseerde vorm van Nevens– bleek ook veel te schrijven. Voor haar „een middel om gevoelens van lusteloosheid en verwardheid te verdrijven, zichzelf moed in te praten en ongepaste gedachten voor zichzelf te houden”, aldus een vrouwenlexicon. Ineens zat Sara pal naast me op de bank. Ds. Herman Witsius van Leeuwarden, aan wie ze haar geestelijke vragen voorlegde (was Wilhelmus te druk?), gaf haar een onvergetelijk antwoord: „Waarom vraagt gij mij? Vraagt het de Heere Jezus Zelf.”
De gedachten die ze daarna opschreef, vormen het intieme verslag van ontmoetingen met deze Geliefde. De Enige Die alles van haar weten mocht. Toen Sara stierf, vroeg een goede vriendin Wilhelmus naar haar nagelaten meditaties. Wat bleek? Hij wist van het bestaan daarvan zelfs niet af. Leefden hij en zijn vrouw langs elkaar heen? Vast niet. Maar er stond wel een Derde tussen hen in – Die voor beiden de Eerste was geworden. „Wanneer ik God meer liefheb dan mijn aardse liefste, zal ik mijn aardse liefste meer liefhebben dan daarvoor” (C. S. Lewis).
Juist eenzaamheid en tijden van scheiding kunnen nodig zijn om dát te leren. Een relatie mag nog zo’n paradijsbloem zijn, vervullen of verlossen kan ze nooit. Niet voor niets waarschuwen de puriteinen herhaaldelijk voor de „romantische liefde” als afgoderij. Wilhelmus hield niet in de eerste plaats van Sara om haar „zeer welgemaakte lichaam”, „heldere oogopslag” of „doorluchtige verstand” (zijn eigen woorden) – hij had haar lief in Christus. En zij hem. Een liefde die alles verdraagt, tot gescheiden werelden toe.
Ongetwijfeld vond Wilhelmus zulke overleggingen terug in Sara’s schriftjes, die hij later ook als boek publiceerde. Maar niet voordat hij alle huiselijke en intieme passages had verwijderd. Helaas. Toch had hij gelijk. Wat een verborgenheid is, moet een verborgenheid blijven. Daarom staat er in dit stukje niet alles wat u mogelijk graag zou lezen.
Geplaatst in Uncategorized
Plaats een reactie
Schimmenspel
De roman ‘Schimmenspel’. Die wilde ik hier ondanks schrijfdrukte toch nog even aanstippen. Een verhaal van formaat, letterlijk en figuurlijk.

‘Oktober 1900
Het was al donker toen ze het lichaam van Crispin Farborough thuisbrachten. Vanaf de veranda van het missiehuis zag Walter Brownley de rij lampen die de huifkar begeleidden langzaam de heuvel afkomen. De wielen rolden bonkend over de stenen. Hij kon alleen de lichten zien en het ratelen van de wagen horen. Er bereikten hem geen stemmen. De avondwind was warm, de rusteloze, wilde, warme wind vanuit Xhosaland. Hij joeg in felle, onverwachte vlagen over het platgetreden erf, als een geest.’
Zulke boeken zou ik met regelmaat willen lezen. Zulke verhalen slepen me direct mee, uit dit platte volle landje (en uit een keuken vol was) naar een plaats ver van hier, een andere tijd, een ander klimaat, een andere natuur. Zuid-Afrikaboeken; gelukkig worden we daar momenteel nogal mee verwend. En Marguerite Poland is bepaald niet de minste schrijver, die ‘gewoon’ vlot kan vertellen maar ook voortdurend verrast met haar scherpe observaties. Vleugjes poëzie die de liefhebber gretig opsnuift.
Ze laat de anglicaanse pastor Walter Brownley arriveren in St. Matthias, een missiepost aan de Oostkaap, 1898. Dan twijfelt hij al aan zijn roeping, maar niettemin gaat hij ijverig aan het werk. De manier waarop Poland ons het land laat zien, vooral via Walters ogen, maar ook door allerlei andere personages op te voeren die stuk voor stuk boeiend zijn, is indrukwekkend. Neem alleen al de vier totaal verschillende kinderen die samen opgroeien binnen de missiepost, maar elk een eigen (innerlijke) weg gaan. Vier kinderen, vier windrichtingen. Maar ook prikkelt Poland de geest met dilemma’s die elke missionaris tegenkomt – hoever kun je gaan in het kerstenen van heidenen met oeroude gebruiken en tradities zoals voorouderverering (de schimmen) ? En hoe zeker kun je uiteindelijk zijn van je eigen principes en verworvenheden? Welke ‘schimmen’ vereren wij, bewust of onbewust? Na zo’n boek snap je weer waarom bijna elke repatriërende zendingswerker terugkomt als een ander mens: alles wat hij ooit geleerd heeft is minstens drie keer over de kop gegaan. Voeg bij dit alles nog de oorlog, het mijnwerkersleed en de ziekte onder het vee, waar de auteur uitgebreid langstrekt. Ook als lezer heb je een hele reis te maken.
Maar wat zou een roman als deze zijn zonder een hartverscheurende (lees onmogelijke) liefde? Ook daarmee weet Poland aardig bij de kraag te vatten. Brownley raakt hopeloos verliefd op Frances, de dochter van missiepriester Vader Charles Farbourough, maar het kan niet (want ze is al zo ongeveer uitgehuwelijkt aan jeugdvriend Victor). En op het laatst kan het toch weer wel. Zo goedkoop als dit klinkt, zo integer is de strijd die Poland beschrijft in subtiele zinnetjes. Want tussen ‘niet’ en ‘wel’ ligt een ware woestijn, voor beiden. Het gelukkige einde mag dan niet helemaal als verrassing komen, de manier waarop is dat zeker wel. Respect, mevrouw Poland.
‘Ze ging naar de kerk en liep er naar binnen. Haar voetstappen ritselden op de kokosmat in het pad. Ze was zich ervan bewust dat God haar daar zag lopen. De rode altaarlamp flakkerde in het halfduister. Ze stond even stil bij het altaar en en bekeek het kruis dat erop stond en de vaas met bloemen die Helmina had geschikt: de paarse fluwelen kelkjes van de irissen en de margrieten met hun gele hartjes, omkranst met wit, zuiver en teer in het groene licht. Ze ging naar de sacristie en deed de deur achter zich dicht. Daar was hij, gekleed in zijn toga, en hij schrok op toen ze binnenkwam. Het was of hij haar een eeuwigheid aankeek, kaarsrecht en onaantastbaar in zijn priesterkleren. Ze stak een hand naar hem uit. Alleen dat. Meer niet.
Dat je zo lang naar iets verlangt en dat het zo veel verdriet doet als je het vindt. Ze huilde in zijn armen, zijn gezicht boven haar gebogen. ‘Ze sturen me hier weg,’ zei ze en ze ademde in om opnieuw te gaan huilen. Bij haar woorden voelde hij hoe het duister in hem begon op te rukken; een onstuitbare duisternis golfde om hem heen. ‘Help me.’
‘Hoe?’ Hij keek haar recht in de ogen.
‘Wis mijn zonde met Victor uit.’
‘Door er een andere aan toe te voegen?’
Er klonk een snik in haar keel. ‘Daarvoor houd ik veel te veel van je,’ zei hij. Hij hield haar zwijgend vast. Beschermend in zijn armen. Hij liet haar rustig uithuilen. Met verlangen, met verdriet en gemis. Toen ze wat gekalmeerd was, hield hij haar nog steeds in zijn armen. De portretten van Vader Charles en dominee Greenstock keken ernstig toe en een rij kaarsen wierp hun scherpe schaduw als spijlen op de muur.’
N.a.v. “Schimmenspel” – Marguerite Poland – uitgeverij Mozaïek – 2015
Geplaatst in Uncategorized
Plaats een reactie
Zo’n vreemde jongen
Hierbij mijn jongste column, zoals verschenen in het Reformatorisch Dagblad van vandaag.

Met dank aan fotograaf Anton Dommerholt die, toen hij mijn portret moest schieten, ook een plaatje van Merten maakte.

Zoals een bioloog dieren, observeert een schrijver mensen. Gebaren, gezichtsuitdrukkingen, geuren, en terloopse zinnetjes slaat hij op, zijn hoofd is een kabinet vol verhaalingrediënten.
Goede vangsten doet hij in treinen en kerken, maar niet minder in musea. Grote kans dat daar een paar excentrieke exemplaren rondlopen. Trap per ongeluk op hun tenen, let op hun reactie, luister in duistere filmzaaltjes hun gesprekken af, snuffel aan dure stola’s. Maar vooral: verdring je achter koppels die fluisterend voor een schilderij staan. Laat je oorschelp het net zijn waarmee je zeldzame vlinders vangt: woorden van ontroering, van ontzag.
Ooit wachtte ik tot er plek was bij een klein, fijn werkje van Willem van Mieris. Er stond een ouder echtpaar voor – in elkaar gehaakt, bewegingloos, sprakeloos. Tot zij verzuchtte: ‘Wat een vreemd kind moet dat voor zijn moeder geweest zijn.’ Nadat ik gekeken had, sloeg ik schilderij, echtpaar en zinnetje op. Dat was in de tijd dat ik me nog ‘inspiratiedagen’ kon veroorloven, om zoveel mogelijk indrukken te verzamelen.
Tegenwoordig heb ik goede acht op mijn huishouding. Onlangs moest de jongste naar het consultatiebureau. De testjes pakten niet goed uit: hij scoorde onder de maat. Of ik me ongerust maakte. Niet echt, zei ik behoedzaam. Natuurlijk waren me wel dingen opgevallen. Een voorliefde voor exotische woorden bijvoorbeeld. Maar het afwijkende verontrust een schrijver niet meteen. Ieder mens is een complex verhaal. En zolang je leest, schort je je oordeel op.
De verpleegkundige pakte er een boekje bij. Toen ze om een banaan vroeg, wees M. een koe aan. Opgetrokken wenkbrauwen. Op dat moment schoof ergens een onzichtbaar laadje open, en – tring! – daar was het zinnetje weer: wat een vreemd kind voor z’n moeder. Hoe keek ik zelf tegen hem aan? ‘Hij maakt me erg gelukkig’ slikte ik in. Zowel schrijvers als moeders moeten niet te pathetisch doen. ‘Hij is over het algemeen erg gelukkig.’ We werden toch maar doorgestuurd.
De volgende dokter was vrolijk en aardig. Ze vond het niet erg dat M. zijn zonnebril ophield. Ze liet hem een plaat zien van een gedekte tafel. Wat stond erop? Borden, ja, en naast ieder bord een m..? en een v… ‘Éven uitbuiken!’ klonk het plotseling olijk. Toen we uitgelachen waren, klapte de dokter haar map dicht en ging op haar knieën voor M. zitten: ‘Wie ben jij toch?’ Daar ging de zonnebril omhoog. Stralend keek hij haar aan: ‘Merten! Merten hè!’
In een catalogus vond ik het schilderijtje. Daar zat het vreemde Kind, op Zijn knietjes aan de voeten van Zijn lezende moeder, te knutselen met houtjes. Hij timmert…een kruis. Er kan een heel proces nodig zijn vóór we regels en verwachtingspatronen loslaten en door de knieën gaan, om uit Zijn eigen mond te horen wie Hij is. Jezus. Gelukkig-maker.
Geplaatst in Uncategorized
12 reacties